Home » Geschied-en-is

Category Archives: Geschied-en-is

Het Joods Nationaal Tehuis van Mussert

Op 7 mei 1945 werd NSB-leider Anton Mussert in zijn kantoor aan de Vijverberg in de Haag gearresteerd. Precies een jaar later, op 7 mei 1946, werd hij op de Waalsdorpervlakte geëxecuteerd. Tijdens zijn gevangenschap liet hij zich ontvallen dat het lot der Joodse Nederlanders heel anders geweest zou zijn als men toch maar naar hem had geluisterd. Als men het door hem opgestelde plan had aangenomen, had dat mogelijkerwijze tienduizenden joodse mensenlevens kunnen redden, aldus zijn stelling. Wat hield deze in?

Op 14 november 1938, vijf dagen na de kristallnacht in Duitsland van 9 november, lanceerde NSB-fractieleider d’ Assembourg officieel het plan voor de vorming van een Joods Nationaal Tehuis, het zogenoemde Guyana-Plan. In de volksmond kreeg het de naam Plan Mussert mee en was het door Mussert zelf geïnitieerd, dit tegen het advies in van zijn Politieke Raad. Volgens dit plan moesten de Nederlandse, Franse en Engelse Guyana’s worden samengevoegd tot een 1.500.000 vierkante kilometer groot land, waar alle Joden uit Europa naar toe zouden kunnen verhuizen. Later dat jaar zou Mussert hierover in de nationaal socialistische krant Volk & Vaderland een artikel publiceren. Het plan werd later in het Engels uitgebracht onder de titel “The United States of Guiana; the Jewish national home.” Mussert had zich in deze dan ook laten inspireren door de Britten die al vóór 1938 met de gedachte speelden om joodse immigranten door te geleiden naar Engels Guyana.

Het Nederlandse parlement zat met het NSB-voorstel behoorlijk in haar maag, niet in de laatste plaats door de achter de schermen vermoedde Joods-Zionistische bemoeienis en liet het voorstel voorlopig onbeantwoord. De op gang gekomen vluchtelingenstroom uit Duitsland baarde de Nederlandse regering wel zorgen en om deze te reguleren nam ze op 15 december 1938 maatregelen om illegale en ongecontroleerde grensoverschrijding tegen te gaan. Met een aanpassing in de wet werd in het voorjaar van 1939 alle politieke organisaties in het Rijk (zoals de NSB, die zich nadrukkelijk als organisatie en niet als politieke partij affilieerde) verboden buitenlandse lidmaten in haar geledingen te hebben. Op die wijze probeerde men invloedrijke Joodse NSB-ers elke politieke invloed op de Nederlandse politiek te ontzeggen.

Men richtte haar beleid vooralsnog op de opvang van Joodse vluchtelingen binnen Nederland en dat in een centraal vluchtelingenkamp. Op 19 februari 1939 besloot men tot de oprichting van één Centraal Vluchtelingenkamp in Nederland. Het was vorstin Wilhelmina die bepaalde dat het opvangkamp niet in haar achtertuin opgetrokken mocht gaan worden zoals gepland, maar op het Drentse platteland in de nabijheid van de plaats Westerbork. In augustus 1939 begonnen arbeiders in de werkverschaffing met de bouw van het kamp. Als dan op 1 september 1939 Duitse troepen de grens met Polen oversteken en twee dagen later, op 3 september 1939, Engeland en Frankrijk aan Duitsland de oorlog verklaren verdwijnt het Plan Mussert naar de achtergrond. Door de wereldontwikkelingen wordt het niet meer behandeld en pas na in januari 1946 wordt het weer in de aandacht gebracht. Het in 1937 opgerichte Freeland League for Jewish Territorial Colonization pikt het NSB-plan weer op en vroeg in februari 1946 een onderhoud aan met de Nederlandse minister-president Wim Schermerhorn. In maart 1946 vond dat overleg plaats en toog men vol enthousiasme aan de slag om te komen tot een Joods Nationaal Tehuis zoals door Anton Mussert voorgesteld.

In januari 1947 diende J.C. Brons, de gouverneur van Suriname, een voorstel van de Freeland League in bij de Staten van Suriname die het voorstel op 14 februari aannamen. In juni 1947 stemden de Staten van Suriname met 7 tegen 5 in met het voorstel. Echter, de oprichting van een Joods Nationaal Tehuis in Suriname zou de realisatie van een Zionistische staat in Palestina in gevaar brengen en stuitte op fel verzet in Surinaamse Zionistische kringen. Met het uitroepen van de staat Israël op 14 mei 1948 verdween het Guyana-plan van Anton Mussert finaal van de aardbodem.

De Lusitania-medaille: Misleiding & Bedrog

Op vrijdag 7 mei 1915 wordt ’s middags om tien over drie de Engelse hulpkruiser Lusitania getorpedeerd door de Duitse onderzeeër U-20. De afgevuurde torpedo zorgde ervoor dat het 45.000 ton zware schip binnen 18 minuten naar de bodem zonk. Ruim 1.200 burgers kwamen om het leven. Ook de in Amsterdam geboren en met de Nederlandse musicus Philip Abas getrouwde Beatrice Landesman, zij verdronk samen met haar twee dochters, de 6-jarige Isabel en 2-jarige Beatrice.

In haar ruimen vervoerde het als passagiersschip aangeduide schip in het geheim Amerikaans wapentuig waar Engeland zo om stond te springen, zoals de 5.000 stuks 3 inch granaten verstopt tussen 90.000 kilo boter, kaas en spek, geleverd door de Bethlehem Steel Company. Daarnaast duizenden ontstekingsmechanismen geproduceerd door de Amerikaanse wapenindustrie en de door Remington Small Arms Co. geleverde 4.3 miljoen patronen .303 geweermunitie. Daarmee was (niet alleen) het voorste vrachtruim volgeladen met alles waaraan het Engelse leger zo dringend nodig had aan het front.

Als protest tegen het zinloze moorden en oorlogshandel van de hypocriete oorlogsbankiers ontwierp de in München woonachtige kunstenaar Karl Goetz in augustus 1915 een sarcastisch bedoelde herinneringsmedaille die hij in een kleine kring verkocht. De satirisch bedoelde medaille had echter een storende fout, Goetz had de datum foutief vermeld: 5 mei 1915.

Eén van deze eerste medailles kwam in Engelse handen die haar gebruikten voor hun oorlogsleugenmachine en werden ze in grote aantallen in Engeland en Amerika gekopieerd. In doos met oorkonde te koop voor vijftig dollarcent per stuk of 12 voor 3 dollar. Een geslagen bewijs ter herinnering aan het moorddadige Duitsland en de door dat smerige rijk begane moord op hulpeloze vrouwen en kinderen. Bij het kopiëren van de medaille maakten de geallieerde kopiisten echter (eveneens) een storende fout. Op de geallieerde kopie was de maand mei in het Engels aangegeven. Er stond MAY in plaats van het Duitse MAI. Goetz en de geallieerde vervalsers produceerden daarop een verbeterde versie waarop de datum en de maand wel goed stond: 7 MAI 1915.

Voorzijde:

De zinkende Lusitania met aan dek duidelijk herkenbare oorlogs-spullen, kanonnen, vliegtuigen etc. Met bovenaan de vermelding Keine Bann Ware (geen ban-goederen = geen verboden goederen) met onderop de tekst: Der Grossdampfer Lusitania durch ein Deutsches tauchboot versenkt (het stoomschip Lusitania door een duitse onderzeër tot zinken gebracht) en daaronder de eerste – foutieve – datum van 5 mei 1915

Achterzijde:

Een skelet die de dood moet voorstellen verkoopt de kaarten aan het Cunard Line loket. Bovenaan de medaille staat te lezen: Geschaft über alles (handel gaat boven alles). Links staat een man de krant te lezen waarop in het Duits U-Boot Gefahr (gevaar voor U-boten) te lezen staat terwijl achter hem de figuur van de Duitse ambassadeur graaf Johann-Heinrich von Bernstorff (met hoge hoed) te zien is die waarschuwend zijn rechter vinger omhoog houdt, herinnerend aan de waarschuwende advertentie die Duitsland geplaatst had in de Amerikaanse kranten.

Marokkaanse bevrijders WO2 mythe

In de Tweede Wereldoorlog hebben Marokkanen meegevochten in Zeeland, zo luidt het verhaal, en ze zijn daar begraven. Dat laatste klopt. Het eerste niet. Jaarlijks worden ze herdacht op de Franse militaire begraafplaats in het Zeeuwse Kapelle: honderden soldaten die het in mei 1940 opnamen bij gevechten in Zuid- Beveland en Walcheren tegen de Duitsers. Steun van Nederlandse soldaten hadden ze niet want die waren er vandoor.

Behalve de namen van gesneuvelde Fransen kom je er Marokkaanse namen tegen. Ook zij, zo gaat het verhaal, vochten in Zeeland mee tegen de Duitsers. “Sprookje,” zegt onderzoeker Jan Hey uit Hengelo.

(Bron: HP de Tijd – 2004)

Hey is de deskundige bij uitstek als het gaat om geallieerde militairen die in de Tweede Wereldoorlog op Nederlandse bodem zijn gesneuveld. In het begin van de jaren tachtig kwam hij in het bezit van het archief van het Rode Kruis. Alle toenmalige duizend Nederlandse gemeenten gaven plichtsgetrouw de buitenlandse slachtoffers door aan het Rode Kruis. Later verfijnde hij het systeem, zegt hij, en vergissingen zijn nagenoeg uitgesloten. Zeker, op het Franse militaire kerkhof in Kapelle zijn Marokkaanse militairen begraven, zegt Hey. Maar niet omdat ze daar hebben gevochten. “Ze zijn verdronken bij de evacuatie van de geallieerden bij Duinkerken. Ik vermoed dat het schip waarop ze zaten, is getorpedeerd.”

Waar de mythe van die Marokkaanse soldaten in Franse dienst precies vandaan komt, is moeilijk te achterhalen. Duidelijk is wel dat een belangrijke rol is weggelegd voor de 54-jarige Marokkaanse opbouwwerker Mohamed Achahboun. Hij woont sinds 1970 in ons land en is vanaf 1989 als adviseur bewonersaangelegenheden in dienst van Stichting BOOG in Den Haag.

Achahboun is gebiologeerd door de krijgsverrichtingen van zijn landgenoten in de Tweede Wereldoorlog. Twee jaar geleden – op zaterdag 3 mei 2003 – hield hij een lezing in de Laurenskerk in Rotterdam in het kader van het thema Marokkanen in de Tweede Wereldoorlog, georganiseerd door het Landelijk Bureau ter Bestrijding van Rassendiscriminatie. Achahboun beweerde bij die gelegenheid bewijzen in handen te hebben dat de in Kapelle begraven Marokkaanse soldaten in de meidagen van 1940 in Kapelle en omgeving tegen Duitse SS-eenheden hadden gestreden. Tientallen Marokkaanse soldaten zouden bij de felle gevechten zijn gesneuveld. Een aantal zou op de Franse militaire begraafplaats liggen; daarnaast zouden 63 Marokkanen in massagraven zijn ondergebracht. De mythe, die in Marokkaanse kringen al de ronde deed, kreeg nu het predicaat echt gebeurd.

Het verhaal verspreidde zich razendsnel. Vorig jaar greep het Amsterdamse stadsdeel De Baarsjes de vermeende heldenrol van de Marokkanen aan om hun jonge landgenoten op het goede pad te brengen, na de beschamende taferelen tijdens de dodenherdenking in 2003 in Amsterdam. Toen ging na afloop een groepje jongens voetballen met kransen en bloemstukken. Enrico Bartens, die zichzelf een ras-Amsterdammer noemt, schreef in het boekje Mo ’40-’45 dat de voorvaderen een felle strijd hebben geleverd tegen de Duitsers. In het kader van hun opvoeding zou vorig jaar een bus met Marokkaanse jongeren naar Kapelle afreizen om de jaarlijkse herdenking bij te wonen. In Kapelle zijn die echter niet gesignaleerd. Wel woonde het PvdA-Kamerlid Khadija Arib de herdenking bij, samen met enkele landgenoten.

De Rijksvoorlichtingsdienst vergrootte de spraakverwarring door een persbericht de wereld in te sturen waarin de rol van de Marokkanen in de schijnwerpers werd gezet. Dat was weer tegen het zere been van de Franse ambassade, die vond dat alle media-aandacht ten onrechte uitging naar de Marokkanen in plaats van naar de Franse soldaten van wie wel onomstotelijk vaststaat dat ze zijn omgekomen bij de gevechten in Zeeland.

Voor verwarring zorgde een jaar geleden ook een interview in Elsevier met de inmiddels 84-jarige Moughit ben Daoud, die drie jaar geleden de dodenherdenking in Kapelle bijwoonde. In Elsevier zei de gewezen veteraan dat hij als sergeant deel uitmaakte van het Franse leger dat naar Zeeland was gestuurd om de Duitse opmars te stuiten. Bij gevechten in Zuid-Beveland zouden meer dan honderd Marokkaanse soldaten in Franse dienst om het leven zijn gekomen. Daoud ontsnapte door in de Westerschelde te springen. Ze zouden urenlang hebben gezwommen tot ze door een Nederlander werden opgevangen. Na een paar dagen te zijn ondergedoken, zouden ze lopend naar Frankrijk zijn teruggekeerd.

Mohamed Achahboun, nu: “Die man zuigt dat toch niet uit zijn duim?! Ik vind het heel kwalijk dat hij voor fantast wordt uitgemaakt. Elsevier is een alom gerespecteerd weekblad, dat zich niet kan permitteren om verzinsels af te drukken.”

Archivaris Frank de Klerk van de gemeente Kapelle viel echter bijna van verbazing van zijn stoel toen hij het verhaal onder ogen kreeg. “Het komt me erg ongeloofwaardig over. In mei is het zeewater nog erg koud. Hou kun je in die omstandigheden dan uren in de Westerschelde zwemmen? Na een paar minuten ben je al onderkoeld. Maar ik denk niet dat er sprake was van opzet. Naar ik heb begrepen, heeft Daoud in heel Europa gevochten. Zoveel jaar na dato is het moeilijk om precies te weten waar je overal bent geweest.”

Ook onderzoeker Jan Hey kan het artikel niet plaatsen. Tijdens zijn navorsingen ontdekte hij dat het Zevende Leger vrijwel uitsluitend uit Fransen bestond. “Ze waren ook wat ouder dan gemiddeld. Velen hadden nog in de Eerste Wereldoorlog gevochten.” Hij is geen Marokkaanse namen tegengekomen. “Ik vind het onbegrijpelijk dat het relaas van die Marokkaanse sergeant voor zoete koek is aangenomen. Het verhaal klopt voor geen meter.”

Ook militair-historicus dr. Jan Schulten gelooft niet dat in Zeeland Marokkanen hebben gevochten. Op verzoek van de burgemeester van Kapelle, oud-militair Siebe Kramer, verdiepte hij zich in de vraag wat zich in de meidagen van 1940 precies op Zeeuwse bodem heeft afgespeeld. Schulten heeft slechts één Marokkaan kunnen traceren die bij oorlogshandelingen op Nederlandse bodem het leven heeft gelaten: een parachutist, die in 1945 bij Franse luchtlandingen in Drenthe is gesneuveld. De andere achttien in Kapelle begraven Marokkanen zijn, denkt Schulten, verdronken bij de evacuatie van de Brits/Franse troepenmacht bij Duinkerken, van 26 mei tot 4 juni 1940; de Marokkanen zijn pas in juni en juli aan de Hollandse kust en bij Terschelling, Vlieland en Schiermonnikoog aangespoeld.

Jan Schulten: “Theoretisch is het denkbaar dat die aangespoelde Marokkaanse soldaten in Zeeland hebben gevochten. Van degenen die zich uit Zeeland hebben teruggetrokken, is waarschijnlijk een aantal in Duinkerken aangekomen. Bij de verscheping zouden ze dan kunnen zijn verdronken. Maar dat is heel onwaarschijnlijk. Het ligt meer voor de hand dat de verdronken Marokkanen tot de ingesloten Franse eenheden behoorden die naar Engeland zouden worden overgebracht. En dat geeft weer voedsel aan het verwijt van Franse kant dat de Britten in de eerste boten mochten vertrekken en dat de Franse soldaten pas aan het eind van de evacuatie aan de beurt waren, en dat ze waren aangewezen op gammele bootjes.”

Achahboun blijft volhouden dat het verhaal over zijn landgenoten uit betrouwbare bronnen komt. Inmiddels overleden Kapellenaren zouden hem hebben bezworen dat ze Marokkaanse soldaten naar hun laatste rustplaats hebben gebracht en hen hebben begraven volgens islamitisch gebruik.

Intussen kan men er bij de gemeente Kapelle geen touw meer aan vastknopen. Samen met de Franse ambassade tekent de gemeente voor de jaarlijkse herdenking van de Franse slachtoffers. Bij die gelegenheid staan nabestaanden stil bij de dood van hun geliefden. Ook worden er kransen gelegd. Decennialang was dat een strikt Franse aangelegenheid. Zes jaar geleden stonden er ineens drie bussen met Marokkanen op de stoep. Een student van Marokkaanse afkomst aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda zou zijn landgenoten op het spoor hebben gezet. Twee jaar geleden was de inbreng van de Marokkanen opnieuw voorpaginanieuws toen Achahboun de zaak aankaartte. Alle media stortten zich vervolgens op de Marokkaanse inbreng bij de verdediging van ons land en rukten uit om de jaarlijkse dodenherdenking in Kapelle te verslaan.

Dit jaar zal de herdenking plaatsvinden op dinsdag 17 mei. Op die dag is het precies 65 jaar geleden dat de Franse brigadegeneraal Marcel Deslaurens op de kade van Vlissingen werd doodgeschoten. Met een aantal soldaten dekte hij de aftocht van Franse eenheden die zich lieten verschepen naar Zeeuws-Vlaanderen. Vlak voordat hij als laatste aan boord zou gaan, werd hij dodelijk getroffen door een Duitse kogel.

Wie dit jaar de herdenking zullen bijwonen, is nog onduidelijk. Burgemeester Kramer: “Het is niet eenvoudig om met de Marokkaanse gemeenschap afspraken te maken. Soms komen ze onaangekondigd met bussen vol naar Kapelle, een andere keer zeggen ze de herdenking bij te willen wonen maar laten ze het vervolgens afweten. Je kunt er geen peil op trekken.”

Van Speyk de lucht in

De bescheiden Nederlandse vloot mengde zich in de Noord-Zuid schermutselingen en op 5 februari 1831 dreef één van de Noord-Nederlandse kanonneerboten door hevige windvlagen naar de oever van de Schelde. Hij kwam vast te zitten ten noorden van het fort St. Laurent. Kapitein van deze Kanonneerboot no. 2 was Luitenant ter zee 2e klas Jan Carel Josephus van Speyk. Belgische opstandelingen vochten zich onder leiding van hun aanvoerder – kapitein Grégoire – aan boord van het scheepje en haalden onder groot gejuich de driekleur naar beneden. Onder begeleiding van een paar opstandelingen daalde van Speyk af in het schip om zijn papieren te halen en in een onbewaakt ogenblik wist hij met zijn brandende sigaar de ruim 1500 pond kruit aan te steken die in de buik van het schip was opgeslagen.

Een type zelfmoordactie waarvan in de geschiedenis overigens meer voorbeelden te vinden zijn, van schippers die hun schip, of commandanten die de kruitmagazijnen van hun fort in de lucht lieten vliegen. Met een daverende knal vloog het schip van Van Speyk de lucht in. Voor Koning en Vaderland werden de afgerukte ledematen en lichaamsdelen naar alle windrichtingen geslingerd. Dan liever de lucht in waren de gevleugelde woorden die Van Speyk toegedicht werden en dat was dan ook wat er letterlijk en figuurlijk met hem gebeurde. In het wrak van Kanonneerboot no. 2 werd in de opengebarsten kajuit nog een gedeelte van zijn romp gevonden en na veel getouwtrek werden deze resten in een vat met alcohol gestopt en aan de commandant van de Noordelijken gezonden.

Toen later het vat werd geopend zagen ze nog resten van zijn hemd, borstrok en uniform op zijn borst en rechterarm en zelfs de Militaire Willemsorde die hem een paar dagen daarvoor was opgespeld bungelde er nog aan. De aanwezige officieren verdeelden een gedeelte van zijn uniform én het lintje als oorlogsouvenir onder elkaar en de overige heldenresten kwamen uiteindelijk terecht in Amsterdam. Daar werd het restant van Van Speyk nauwkeurig bekeken, ontleed en gebalsemd, in een loden kist gelegd en later met veel pracht en praal begraven in de Oosterkerk.

De propagandistische waarde van Van Speyk

Het mensenoffer van Van Speyk leverde de Nederlandse bestuurskliek geen windeieren, het was goed voor de saamhorigheid en de koninklijke propagandamachine werkte op volle toeren. Koning Willem besliste dat voortaan altijd een Nederlands marineschip de naam Van Speyk zou dragen en dat er een imposant gedenkteken voor hem zou worden opgericht. In heel het land kwamen allerlei initiatieven van de grond. De één wilde in Egmond aan Zee een Jan van Speyksvuurtoren bouwen, beeldhouwers uit het hele land verdrongen zich om een gedenkteken te mogen ontwerpen en in het Burger-Weeshuis in Amsterdam – zijn geboortestad – werd een monument geplaatst. Nabestaanden van Van Speyk en van de slachtoffers kregen van koning Willem allemaal een flinke buidel met klinkende munt. Kunstenaars van naam en faam maakten schilderijen van een uit elkaar spattende kanonneerboot en koning Willem gaf opdracht om een gedenkpenning te slaan.

Tyskerhoren & Tyskerbarn

Op 7 mei 1945 ondertekende generaal Alfred Jodl de onvoorwaardelijke overgave van alle Duitse strijdkrachten aan de geallieerden. Om 02.41 uur die nacht zette hij zijn handtekening onder de capitulatievoorwaarden. In deze voorwaarden was overeengekomen dat alle strijdkrachten onder Duits gezag hun actieve operaties op 8 mei 1945, om 23.01 uur centraal Europese tijd, staakten. Ook voor Noorwegen kwam daarmee een eind aan de Tweede Wereldoorlog. Met de verrassingsaanval op 9 april 1940 was voor dat land de oorlog begonnen en dolf ze met de capitulatie op 7 juni het onderspit.

In de loop van dinsdag 8 mei begonnen leden van het Noorse verzet de posities van de Duitsers over te nemen en keerden koning en regering weer in het land terug. Het leven hernam voor het merendeel der Noren langzamerhand weer haar normale en vredevolle ritme. Voor een klein deel eindigde de oorlog allerminst. Een aaneenschakeling van ellendige en mensonterende gebeurtenissen maakten hun leven tot een ware hel. Het waren niet zozeer de collaborerende landgenoten, zakenlieden en industriëlen die op profijt belust en gericht op oorlogswinst welbewust collaboreerden. Ook niet de kwart miljoen landgenoten die verplicht vrijwillig hun diensten aan de Duitse bezetter verleenden. Nee, geen van hen had noemenswaardige repressailles te vrezen. De toorn en opgeklopte volkswoede gold die Noorse vrouwen die in vijf oorlogsjaren de onvergeeflijke misdaad hadden begaan verliefd te raken op een Duitse soldaat én zelfs bevielen van een kind.

Deze Tyskerhoren (Duitse hoeren) en hun kroost, de Tyskerbarn (Duitse kinderen), konden rekenen op represailles van de zichzelf tot de oprechte Noren verklaarde burgers. Als vergeldende en dood & verderf brengende duivels stortten zij zich op de meer dan 15.000 Noorse vrouwen en de meer dan 10.000 kinderen die door Duitse soldaten verwekt waren. Net als de Moffenhoeren in Nederland werden ze als oorlogsbuit onbeschermd overgeleverd aan de sadistische willekeur van de Goede Vaderlanders. Net als in Nederland werden vrouwen en meisjes door moedige burgers gescalpeerd, bespot, geminacht, beroofd, misbruikt, verkracht en soms erger. Was dat in Nederland al een verschrikking op zich, Noorse vrouwen en oorlogskinderen ondergingen een nog wreder lot.

De half Duitse kinderen werden verondersteld besmet te zijn met een fascistische bacil en als geestelijk onvolwaardig en genetisch minderwaardig bestempeld. Deze kinderen werden gedwongen uit huis en in opvoedingsgestichten en tehuizen voor geestelijk zieken geplaatst. Ze werden niet beschermd voor het sadisme waaraan ze werden onderworpen door verplegers, verzorgers en gastouders, door wie ze verkracht en mishandeld werden. Alle mogelijke kwalen moesten ze ondergaan, als beesten aangelijnd, opgesloten bij valse honden, overleven tussen wilde varkens, gemarteld met kokend water, hete vuurpoken en brandende sigarettenpeuken. Zowel de kinderen als hun moeders werden – met medeweten van de Noorse regering – door de Noorse en Amerikaanse geheime dienst CIA misbruikt voor LSD experimenten, medische proeven en open hersenoperaties (Lobotomie) waar stukken hersenen verwijderd werden bij levende personen.

De op 15 november 1945 in de Noorse plaats Ballangen geboren Anni-Frid is een van deze Tyskerbarn kinderen. Anni-Frid was een van de vier leden van de later wereldbekende muziekgroep ABBA terwijl haar levensverhaal nagenoeg onbekend gebleven is. Haar moeder Synni Lyngstad beging op haar 18e jaar de misdaad verliefd te worden op de 26-jarige Duitse soldaat Alfred Haase. Een paar maanden voor de Duitse capitulatie leerde het stel elkaar kennen, hielden van elkaar maar werden van elkaar gescheiden toen Alfred na de capitulatie naar Duitsland terug moest. Dat Synni zwanger was heeft Alfred nooit geweten. Het kindje werd na de capitulatie geboren in een voor haar erg vijandige wereld. Begin 1947 vluchtte haar moeder Synni, samen met haar oma Antine en met Anni-Frid naar Zweden waar ze in het plaatsje Torshälla een veilige woonplek vonden. Nog voordat Anni-Frid 2 jaar oud was stierf haar moeder plotsklaps aan een nierziekte. Haar vader was omgekomen bij een scheepsramp en zo bleef ze alleen achter bij haar oma. Meer dan 30 jaar later bleek uit naspeuringen dat haar vader de oorlog wel overleefd had en zagen beiden elkaar in de zomer van 1977.

Het levensverhaal en maatschappelijk succes van Anni-Frid staat haaks en schril op dat van haar mede Tyskerbarn lotgenoten. Hun lot en lijden wordt nog steeds ontkend en miskend door de Noorse overheid en zijn de kinderen van toen heden ten dage zwaar gemankeerde grotendeels rechteloze volwassenen.

Wir haben es vergessen…..

Hongerkindje Het is februari 2018, het is niet koud, de de winter heeft al vele jaren een zacht karakter. Heel anders was het in de oorlogswinters van 1940-1945, toen was het bar en boos gesteld en gaf de winter van ’43/’44 Nederland een ondertemperatuur van 27 graden onder nul. Nu – ruim 70 jaar later – is het weer van toen geen onderwerp meer van gesprek, en dat is niet alleen met het weer het geval. Ook de Nederlandse geschiedenis is nauwelijks nog onderwerp van gesprek, laat staan het oorlogsleed dat geleden is, dat is niet tot nauwelijks nog in herinnering.

Dat miljoenen Nederlanders honger leden is nauwelijks tot niet opgeslagen in het collectief geheugen. Dat honderdduizenden Nederlanders met de gevolgen hiervan te maken kregen en aan hongeroedeem leden is niet verankerd in het Nederlandse bewustzijn. De treinstaking die in 1944 mede op initiatief van bankier Wally van Hall mogelijk werd maakte het leven van al deze creperende Nederlanders tot een hongerhel. Door ondervoeding en gebrek stierven aan de gevolgen 125.000 Nederlanders aldus de goed geïnformeerde Franse aanklager mr. Mournier tijdens het Neurenberger-proces in februari 1946. Volgens Oreste Pinto, Luitenant-kolonel van de Nederlandse (contra)spionagedienst, moet het totaal aantal verhongerde Nederlanders behoorlijk naar boven toe worden opgeschaald. Hoe erg het voedselgebrek in het hongerende West-Nederland toentertijd was werd duidelijk in het verhoor van Seyss-Inquart. De op 29 mei 1940 als Rijkscommissaris van Nederland aangestelde Arthur Seyss-Inquart was uit hoofde van zijn functie goed op de hoogte van de voedselsituatie. Tijdens de ochtendzitting op 10 juni 1946 vertelde hij “Ik geloof dat Nederlanders eind 1944 en in 1945 in concentratiekampen en gevangenissen meer voedsel kregen dan de Nederlanders in het westen van het land.”

De door bankier Wally van Hall gefinancierde treinstaking leidde tot onnoemelijk veel leed en nodeloos lijden onder de Nederlandse burgerbevolking. De gehoopte militair-strategische waarde was na de mislukte luchtlandingen bij Arnhem gereduceerd tot ‘0’. Maar de geallieerden bleven vasthouden aan de hongerblokkade. Het Nederlandse verzet was het daar niet mee eens en dat lieten ze weten ook. “De ondergrondse beweging heeft aan Londen in een ultimatum gesteld dat er hier eten moet komen vóór 15 januari a.s., daar ze het zonder voedsel niet meer uithouden, anders wordt de spoorwegstaking opgeheven.”

Hongerfamilie Hongerkindjes groepHongerkindrenDoor ondervoeding en gebrek stierven de Nederlanders van toen als ratten, in de winter van 1944-1945 bezweken de Nederlanders in onvoorstelbare aantallen. Het is een gegeven dat volledig verdwenen is uit het collectief geheugen. Het is geen collectief weten meer, het ontglipt aan het bewustzijn, het is geen onderwerp meer van gesprek, geen jaarlijks terugkerend onderwerp in de leerboeken of in de media. In niets opgelost lijden!

Dat het aantal door honger en gebrek omgekomen Nederlanders op enig moment officieel op 15.000 tot 22.000 vastgelegd is heeft enkel te maken met politiek correcte geschiedschrijving. De werkelijkheid en de waarheid is geweld aangedaan, net als de geschiedschrijving. Verpakt in een fijne oorlogsfilm wordt bankier Wally van Hall in 2018 notabene neergezet als een goed vaderlander en bewierookt als een slimme financiële goochelaar.

Bankier van de Dood zou een toepasselijker naam voor deze persoon geweest zijn!

Hongerkind liggend

Foto’s: Nationaal Archief

First in Office

Samuel HuntingtonNiet George Washington, maar Samuel Huntington moet in werkelijkheid gezien worden als de eerste Amerikaanse president. Sterker nog, pas nadat nog negen anderen hem in dat ambt waren voorgegaan werd Washington tot president benoemd.

Op 28 september 1779 werd de dan 48-jarige advocaat Samuel Huntington benoemd tot president van het eerste Amerikaanse Congres. Deze benoeming was te vergelijken met die van minister-president van het Britse parlement en dat maakte hem daarmee technisch gezien de eerste Amerikaanse president.

Huntington was een van de ondertekenaars van de Declaration of Independece en de Articles of Confederation. Om gezondheidsredenen trad Huntington officieel terug op 9 juli 1781 waarna hij in het ambt opgevolgd werd door Thomas McKean, John Hanson, Elias Boudinot, Thomas Mifflin, Richard Henry Lee, John Hancock, Nathan Gorman, Arthur St. Clair en Cyrus Griffin waarna George Washington op 30 april 1789 als 11e in dit ambt verkozen en benoemd werd. Curieus detail is de later in de geschiedenis veroorzaakte persoonsverwisseling rondom de (blanke) koopman John Hanson uit Maryland met die van een (negroïde) naamgenoot, waarmee het eerste zwarte Amerikaanse presidentschap geclaimd werd.

Samuel Huntington (01-03 § 09-07 1781) : Thomas McKean (10-07 § 05-11 1781) : John Hanson (05-11 1781 § 04-11 1782) : Elias Boudinot (05-11 1782 § 04-111783) : Thomas Mifflin (05-11 1783 § 03-06 1784) : Richard Henry Lee (30-11 1784 § 22-11 1785) : John Hancock (23-11 1785 § 06-06 1786) : Nathan Gorman (07-06 1786 § 05-11 1786) : Arthur St. Clair (02-02 1787 § 21-01 1787) : Cyrus Griffin (22-01 1788 § 04-03 1789) : George Washington (30-04 1789 § 04-03 1797)

Upstallesbâm & Geding

LevensboomIn de Duitse deelstaat Niedersachsen, ongeveer drie kilometer ten westen van de stad Aurich, ligt het dorpje Rahe. Op een half hoge wierde (een oude grafheuvel) in het Brookmerland werd eeuwenlang recht gesproken bij de Upstallesbâm (Opstalboom). Op de eerste volle maan na Ostara (ook wel het lentebegin genoemd) werden de afgevaardigden gekozen van de Zeven Vrije Friese Landen.

Zeven dagen na volle maan en hun verkiezing kwamen zij op de eerstvolgende dinsdag bijeen om onder de Upstallesbâm recht te spreken, een gerechtsdag – (ge)Ding/s-dag. Onder de eik werden zaken besproken die recht moest brengen, vrede bewaren en al wat te maken had om de eigen vrijheid te verdedigen. De wierde waarop de eik stond lag op een afgebakend grondgebied. Een symbolische lage aarden dam welke het terrein als wal af-schermde was beplant met struiken en palen, het rechts-gebied was op deze wijze letterlijk afge-damd en be-paald.

De benaming Upstalles staat voor een afgebakend, gemeenschappelijk gebied dat als verzamelplaats diende, waar bijeenkomsten gehouden werden en waar het gezamenlijke vee bijeengehouden werd, de bâm stond voor boom of paal waaraan/waaromheen het volk en/of het vee zich schaarde, c.q. gebonden werd.

In 1833 werd op de plaats van de Upstallesbâm uit zwerfkeien een piramide opgebouwd.
Uppstalbaum

Kamp Auschwitz – 1919/1921

AuschwitzAnders dan algemeen en voor absolute waarheid aangenomen wordt kent het in Polen liggende kamp Auschwitz een andere start en heeft het verrassend andere wortels. Niet de Duitsers maar de Amerikanen hebben dit kamp in de nadagen van de Eerste Wereldoorlog opgezet als quarantaine-, en krijgsgevangenkamp dat eveneens dienst deed als vluchtelingenkamp. De voornaamste reden voor het opzetten van dit kamp in de plaats Oświęcim (Oswiecim) zoals ze in het Pools genoemd wordt was de bestrijding van de toentertijd heersende Tyfusepidemie.

Wat vooraf ging

Het grondgebied van Polen was in de jaren voorafgaand aan de Franse Revolutie meerdere malen herverdeeld. Het land was in de jaren 1792, 1793 en 1795 onder Russisch, Oostenrijks en Pruisisch bestuur gebracht en had het land effectief opgehouden te bestaan. Het was keizer Napoleon Bonaparte die natijd een deel ervan als Hertogdom Warshaw herschiep (1807-1815) waarna het na de Congressen van Wenen (1815) tot een personele unie met Rusland gebracht werd onder de naam Congres Polen. Na oproer en opstand verloor Polen in 1831 haar relatieve zelfstandigheid en zelfbeschikking en werd min of meer bij Rusland ingelijfd. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog streden Poolse eenheden binnen het Habsburgse (Oostenrijkse) leger onder aanvoering van maarschalk Jozef Pilsoedski tegen de Russische troepen aan het oostfront. Op 6 augustus 1914 zetten Pilsoedski’s eenheden vanuit het relatief autonome Galicië de aanval in op het Russische deel van Polen. In 1916 leidde dit onder supervisie van het Duitse Keizerrijk (t/m 1918) tot de vorming van het Regentschapskoninkrijk Polen. Pilsoedski greep de nederlaag van de Centralen en de wapenstilstand van 1918 aan om de onafhankelijkheid uit te roepen waarmee het Regentschapskoninkrijk Polen werd opgeheven. Na de wapenstilstand van 1918 werd door de grootmachten bepaald dat uit het voormalige Duits- en Oostenrijks Polen, samen met Russich-Polen een nieuwe staat werd gevormd. Niet instemmend met de Oostelijke landsgrens die in eerste instantie gelijk gesteld werd met de Curzon-linie trok Pilsoedski ten strijde tegen Rusland. Een Groot-Poolse staat ontving in zekere zin geallieerde ondersteuning, een katholieke bufferstaat in het oosten was in geopolitiek belang van de geallieerden. Het sinds 1914 door oorlog, honger, dood en ellende geplaagde land beleefde geen vrede maar werd in een nieuwe strijd geworpen die uiteindelijk tot 1921 voortgezet zou worden.

Gedurende deze strijd werden in maart 1919 de ‘Grote Vier’ (zoals de overwinnende geallieerde grootmachten aangeduid werden) door de Engelse minister van buitenlandse zaken Lord Curzon erop gewezen dat met name in het Oosten zoals Polen, Oekraïne, Servië, Roemenië en andere oostelijke staten geteisterd werd door een snel naar het westen verspreidende Tyfus epidemie. Steden als Wenen, Krakau en Boedapest werden reeds door deze door luizen verspreidde epidemie belaagd, miljoenen Oost-Europeanen werden hierdoor bedreigd en sloegen op de vlucht richting het westen.

Op 29 mei 1919 verklaarde de nieuwe Poolse minister van gezondheid Dr. Thomas Janiszweski dat er een Cordon Sanitaire ingesteld werd van de Baltische staten t/m de Middellandse Zee om zo de epidemie te stuiten. Op dat moment waren in Polen naar schatting meer dan een miljoen mensen met Tyfus besmet en vielen er wekelijks honderdduizenden slachtoffers door de epidemie die zich als een woudbrand naar het westen verplaatste. Het plan van Janiszweski kwam er op neer dat personen die met tyfus (of andere ziekten) besmet waren geïnterneerd en afgezonderd moesten worden. Grondig gereinigd, ontsmet en geschoren, dat hun kleding ontluisd en gedesinfecteerd diende te worden (zo nodig vervangen) en zolang in quarantaine gehouden moesten worden totdat zij geen bedreiging meer voor de volksgezondheid vormden en met een ‘Certificate of Delousation’ ontslagen werden.

Generaal John J. Pershing bevelhebber van het AEF (American Expedition Force) welke op de nominatie stond om naar de USA terug verscheept te worden kreeg op 25 juni 1919 van president Woodrow Wilson het bevel deze taak op zich te nemen. Pershing droeg Colonel Harry L. Gilchrist van het Army Medical Corps op zich bij Dr. Thomas Janiszweski te melden en de strijd tegen de tyfusepidemie in Polen op zich te nemen. De Gilchrist-eenheid werd de American Polish Thypus Relief Expedition (APTRE) later hernoemd tot  American Polish Relief Expedition (APRE) met haar hoofdkwartier in Warshaw.

Door haar uitstekende spoorwegverbindingen werd de op vijfenzeventig kilometer van het in Krakow gesitueerde Bacteriologische Laboratorium liggende plaats Oświęcim als meest geëigende plaats voor het ‘Quarantine and Refugee Station’. Haar gunstige ligging vanwege de vele omringende ruime landerijen welke uitermate geschikt waren voor de noodzakelijke voedselvoorziening was ook een belangrijk punt. Daarnaast konden de krijgsgevangenen direct ingezet worden bij teelt en oogst en zo de lasten die Polen daardoor te dragen had te verlichten. Medio augustus 1919 werd Kamp Auschwitz operationeel en ontving het gemiddeld 5.000 tot 6.000 personen per dag, voor het merendeel krijgsgevangenen. Foden sterilizer hand

Uit Amerikaanse, Engelse, Franse en Duitse militaire voorraden werden grote aantallen stoom-sterilisatoren, autoclaven en mobiele badinstallaties aangeleverd. De Foden-Tresh stoom-sterilisator, al dan niet mobiel/door paardentractie of gemotoriseerd voortbewogen, maakte vast onderdeel uit van de enorme hoeveelheid benodigde ontluizingsapparatuur.

Krijgsgevangen Bolsjewieken die nauwelijks gekleed en slecht gevoed waren stonden met graagte hun schamele en van luizen vergeven bovenkleding af in ruil voor ondergoed, zeep en schoeisel uit Amerikaanse legervoorraden. Samen met het ontvangen aardappelrantsoen verdween de kledij gedurende een half uur in de stoom-sterilisatoren waarna luizen vernietigd en de aardappels gaar in ontvangst genomen werden.

WW1_US_DELOUSINGvehicle

Delousing Bolsjewists 1919

We have found lately that the Bolsheviks have taken to putting patatoes in the pockets of their clothes as they go in the sterilizers – on getting back their sterilized clothes they have naturally enough fine boiled patatoes. This is quite a popular way of getting them to [have] to clothes sterilized. The Q.M. (Quarter Master) passes out each man his raw potatoe (sic) ration, and there is always a line up now at the machines ”

De met papiersnippers gevulde slaapzakken werden geregeld met dieseldamp gereinigd, het zand in de barakken op gezette tijden verschoond terwijl het ongedierte in de barakken zelf onder supervisie van de Zweedse arts Vamos met cyanide werd vergast. Het uitvoerende personeel moest speciale gasmaskers ophebben van het type “Drägerwerke Lübeck” dat ook een kleine zuurstofcilinder bezat omdat het dodelijke gif niet goed gefilterd kon worden. Kleine hoeveelheden HCN waren al dodelijk. Al eerder was Sulphuric Acid en Sodium Cyanide gebruikt. Het ongedierte in de gebruikte treinstellen en wagons werd in afgesloten tunnels door vergassing onschadelijk gemaakt. Aan het einde van 1920 zat het werk van de American Polish Relief Expedition erop en op 4 januari 1921 werd de eenheid van haar taak ontheven en officieel opgeheven.

In september 1939 viel het Duitse leger Polen binnen om halverwege november haar campagne te staken. Na vijf maanden werd op 1 april 1940 het kamp Auschwitz officieel als gevangenenkamp voor het Duitse leger opgeleverd. Met de komst het eerste gevangenentransport van dertig Duitse criminelen die op 20 mei 1940 arriveerden werd Auschwitz opnieuw gebruik genomen.

 

Macht achter de macht

0 RDe waarheid is – erkent Clémenceau aan de vooravond van zijn dood -, dat wij, onder verschillende benamingen, nooit door iets anders geregeerd zijn dan door kleine groepen, wier belangen met idealistische praatjes werden gestoffeerd. Over de democratische kliekregeringen zou heel wat te zeggen zijn – Clémenceau kan dit weten -. Hun geschiedenis verschilt niet aanmerkelijk van de andere. Ik zie niet, dat gedurende 2000 jaar, sinds Aristophanes, het regeringsstelsel veel veranderd is.” (*) Vandaag de dag laat zien dat er niets veranderd is, waardeloze nep-politici die als trekpoppen aansturen op oorlogen.

Georges Eugène Benjamin Clémenceau was een Frans staatsman, arts en journalist. Als een van de heftigste radicale politici tijdens de eerste decennia van de Derde Franse Republiek kreeg hij de bijnaam De Tijger. Hij is vooral bekend geworden als de premier van Frankrijk gedurende de Eerste Wereldoorlog en als onverzoenlijke onderhandelaar die het verslagen Duitsland (en daarmee ook het na-oorlogse Europa) het Verdrag van Versailles als wurg ketting om de nek legde.

(*) Artikel ‘Achteraf Bezien’ in “L’ Illustration”, 27 november 1926. Gepubliceerd in: Nieuwe Vormen van Oorlog en Hoe die te Bestrijden – B. de Ligt, – pagina 8 – NV Uitgeverij ‘De Tijdstroom’ – Huis ter Heide, 1927