Home » Leugen, list en bedrog

Category Archives: Leugen, list en bedrog

Pearl Harbor – False Flag Operation (FFO)

Pearl Harbor AnniversaryMet de verrassingsaanval op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor betrok Japan Amerika in de Tweede Wereldoorlog. Dit is wat de geschiedschrijving de mensheid leert maar … óf dát de ‘simpele waarheid’ is valt steeds meer te betwijfelen.

Fré Morel – Vasthoudend, volhardend met open geest, niet links of rechts, maar VRIJ-denkend

De Japanse aanval op de Amerikaanse haven heeft een lange voorgeschiedenis. Al ver voor de Eerste Wereldoorlog voerde Japan net als de westerse grootmachten Engeland, Frankrijk en Amerika een koloniale veroveringskoers. Landen als Korea en China stonden op haar menu en Japan was daardoor een bedreiging voor de heersende machten. In 1904-1905 mondde dit uit in de Japans-Russische oorlog en in 1910 (met Amerikaanse goedkeuring) tot de annexatie van Korea. Tijdens de Eerste Wereldoorlog schaarde het land zich uit opportunistische motieven achter de Ententemachten en verklaarde ze op 23 augustus 1914 de oorlog aan Duitsland. Met behulp van 1.500 Engelse troepen uit Hong Kong voerde een Japans leger van 23.000 soldaten op 2 september 1914 een landing uit in de Chinese provincie Shandong. Het Duitse marinesteunpunt, de havenstad Kiaochao (Jiāozhōu), werd na een korte strijd overrompeld en op 7 november 1914 kon de Japanse vlag over het gebied gehesen worden. Bij deze actie raakten totaal zo’n 4.600 Duitse soldaten krijgsgevangen.

Deze soldaten werden ondergebracht in het kamp Bando in de stad Tsintao (Qingdao) waar ze volgens eigen zeggen als gasten behandeld werden. Ze genoten volgens de krijgsgevangen genomen Duitse soldaat Kettle veel vrijheid en organiseerden ze regelmatig muziekavonden waarbij het bier rijkelijk vloeide. Zeer tegen de zin van de Ententemachten beperkte de Japanse steun zich in hoofdzaak tot de bezetting van Kiaochao. De verdere oorlog met Duitsland liet Japan Siberisch koud, ze zond geen militairen naar Europa maar concentreerde zich op de verdere machtsuitbreiding in Azië. Ze had haar begerige blikken gericht op de (ei)landen in en rondom de Stille Oceaan, ze wilde haar rijk uitbreiden met economisch en strategisch waardevolle gebieden.

In de competitie met o.a. Amerika om de heerschappij in Azië viel ze in 1931 Mantsjoerije binnen wat haar op veel kritiek kwam te staan. Amerika bood daarop China ruimhartig en in overvloed wapentuig en kennis aan ter verdediging tegen het Gele Gevaar “As early as 1932 the United States had been talking with China about providing airplanes, pilots, and training for its war with Japan.”

Ruim voordat ons Indië door Japan onder de voet gelopen werd had Amerika al aangeboden de vaderlandse kolonies te bezetten en tegen de Japanse agressie te verdedigen. Zodra het gevaar voor oorlog of een invasie voorbij zou zijn zouden alle kolonies tegen bescheiden kosten weer geretourneerd worden. In de tussentijd zou Amerika dan uiteraard toegestaan worden zich te bedienen van de aanwezige rijkdommen.

De massamoorden van Nanking die plaatsvonden tussen eind 1937 en begin 1938 zorgden wereldwijd voor een storm van protest maar het zou Japan niet dwingen om haar koers te verleggen. Zonder veel succes probeerde Amerika haar economische tegenspeler met diplomatieke en economische middelen buiten spel te zetten. Ook op militair terrein liet ze zich niet onbetuigd en bleef ze China vriendelijk pushen toch vooral gebruik te maken van het enorme wapenarsenaal dat ze in de aanbieding had “Colonel Claire Chennault, a retired U.S. Army flier who was working for the Chinese [and] had been urging them to use American pilots to bomb Tokyo since at least 1937”. In september 1939 brak in Europa de Tweede Wereldoorlog uit nadat Duitsland (het door de overwinnende partijen grotendeels uit voormalig Duits grondgebied gekneedde) Polen binnen marcheerde. Ze vond Engeland en Frankrijk tegenover zich, Amerika bevond zich nog buiten die strijd maar drong op 21 december 1940 er bij China op aan te starten met het leggen van een brandbommentapijt over Japan, “firebombing of Japan”.

De verhoudingen tussen de beide landen werd er niet beter op en de oorlogstrommels roerden zich, beide landen waren op oorlogskoers ingesteld. Via een Peruaanse diplomaat kwam informatie over een geplande ‘surprise attack on Pearl Harbor’ in handen van Joseph Clark Grew, de Amerikaanse ambassadeur in Japan. Grew zond op zijn beurt deze informatie op 27 januari 1941 door naar Washington. In zijn dagboek schreef Grew daarover “There is a lot of talk around town to the effect that the Japanese, in case of a break with the United States, are planning to go all out in a surprise mass attack on Pearl Harbor. Of course I informed my government.”

krant harbor 1Ambassadeur Grew was niet de enige die op de hoogte was van de Japanse plannen, óók Admiraal Richmond Kelly Turner liet niet na te waarschuwen voor een Japanse aanval op de Amerikaanse marinebasis. Op 5 februari 1941 waarschuwde hij Henry Stimson, de Amerikaanse ‘Secretary of War’ of the possibility of a surprise attack at Pearl Harbor”, het leek tegen dovemansoren gezegd. Op andere terreinen bleven de voorbereidingen gestaag doorgaan. Op 24 mei 1941 meldde de New York Times dat de Chinese luchtmacht door Amerika getraind (en zo voorbereid werd op haar komende taak) en voorzien werd van “numerous fighting and bombing planes”.

In de krant was onder de kop “Bombing of Japanese Cities is Expected” te lezen dat de oorlogshandelingen spoedig zouden losbreken. In juli 1941 had het gezamelijke Army-Navy Board plan ‘JB355’ goedgekeurd, een plan tot het leggen van een bommentapijt over Japan. Amerikaanse bommenwerpers, begeleid door jachtvliegtuigen en bemand door Amerikaanse vrijwilligers (de 1st American Volunteer Group, de AVG) onder aanvoering van Colonel Claire Chennault zouden de aanval uitvoeren. De toestellen hiervoor (150 Lockheed-Hudson bommenwerpers en 350 Curtis P-40 vechtvliegtuigen) werden betaald door een speciaal voor dat doel opgerichte frontgroep.

Op 25 november 1941 besprak Henry Stimson o.a. met president Roosevelt mogelijkheden om Amerika door Japans toedoen in de oorlog betrokken te laten raken “The question was how should we maneuver them to firing the first shot .. it was desirable to make sure the Japanese be the ones to do this so that there should remain no doubt as to who where the agressors.” Roosevelt liet hem weten dat hij de Japanse aanval al snel, binnen een week, verwachtte. Hij vertelde dat “the Japanese were likely to attack soon, possibly next Monday” en die dag was maandag 1 december 1941. Het bericht lekte uit wat er voor zorgde dat de Hawaïaanse krant: Hilo Tribune Herald op zondag 30 november 1941 op de voorpagina opende met de kop ‘Japan May Strike Over Weekend’.

Ilo Harbor Hilo Tribune Herald, 30 november 1941

Diezelfde 30 november 1941 was de Amerikaanse President Roosevelt terug van zijn afgebroken vakantie om de verwachte aanval samen met de militaire leiders af te wachten en te beslissen hoe het ‘spel’ gespeeld zou moeten worden.

krant HarborHonolulu Advertiser, 30 november 1941, 6 dagen voor de Japanse ‘verrassingsaanval’ waarin gewaarschuwd wordt voor de duidelijk VERWACHTTE  Japanse aanval!

Op 4 december 1941 was het de Australische inlichtingendienst die waarschuwde dat een Japanse vloot richting Pearl Harbor opstoomde maar ook dit bericht was aan dovemans oren gericht. Het Japanse aanvalsbericht werd begin december 1941 óók onderschept door de codedienst van het Nederlands-Indische leger dat in Bandoeng – Java gelegerd was. Higashi No Kaze Ame’ (Oostenwind Regen) was de aanvalscode die als weerbericht door Radio Tokio werd uitgezonden en de Japanse ‘oorlogskoers’ aangaf.

De Nederlandse kapitein Verkuyl en zijn vrouw Nancy kraakten dit bericht. ‘Higashi No Kaze Ame’ stond voor een aanval op Pearl Harbor. In het in 1985 door uitgeverij Van Kampen en Zn. uitgebrachte boek ‘Nihi No Kaze, Hare’ publiceerde auteur Robert D. Haslach op pagina 178 het betreffende Japanse codetelegram waarin de instructies waren gevat.

“Met het oog op het snel slechter worden van de internationale betrekkingen en op een eventuele verbreking van de internationale telecommunicatie wordt het volgende bekendgemaakt. Luister goed naar de Japanse algemene nieuwsuitzendingen op de korte golf. Een collaps van de internationale diplomatieke betrekkingen wordt d.m.v. een loos weerbericht aangegeven onmiddellijk vóór en ná elke nieuwsuitzending.”

Betreffende Japan-USA – HIGASHI NO KAZE, AME (oostenwind, regen)
Betreffende Japan-Rusland – KITA NO KAZE, KUMORI (noordenwind, bewolkt)
Betreffende Japan-Engeland, incl. Thailand, Malakka en Ned. Indië –NISHI NO KAZE, HARE (westenwind, helder)

“Bovenstaande zal 5 x worden herhaald, zowel aan het begin als aan het eind. Nadat dit door u gehoord wordt, moeten onverwijld alle codeapparatuur, codeboeken en geheime documenten worden vernield c.q. verbrand.”

De Amerikaanse inlichtingenofficier Kolonel Elliott Raymond Thorpe die in de periode van 1940-1942 als militair attaché werkzaam was in Nederlands Indië werd door de Nederlanders ingelicht en zond 10 dagen voor de aanval de waarschuwing naar Washington. In de Nieuwe Leidsche Courant van 7 december 1949 valt daarover het volgende te lezen “De gepensioneerde Amerikaanse brigade-generaal, Elliott Thorpe, verklaarde, dat hij het Amerikaanse departement van Oorlog tien dagen vóór de Japanse overval op Pearl Harbor had gewaarschuwd, dat de Jappen van plan waren de Philippijnen en Hawaii aan te vallen. Zijn waarschuwing was in de wind geslagen. Thorpe vertelde nog, dat hij tot 1942 als agent van de geheime dienst op Java werkte. Zijn inlichtingen waren gebaseerd op de inhoud van een Japanse boodschap, die de Nederlandse inlichtingendienst op Java onderschepte en uitwerkte.” Ook de Engelse inlichtingendiensten in Bletchely Park waren door middel van de Ultra en Enigma decoderingsmachines ruimschoots van de Japanse aanvalsplannen op de hoogte. Het bracht haar strijdkrachten in Singapore in de hoogste staat van paraatheid en trok alle verloven in.

De verouderde oorlogsschepen in de haven van Pearl Harbor vielen ten prooi aan de Japanse aanval maar moeten beschouwd worden als een berekend oorlogsverlies. Op 20 juni 1940 had de Amerikaanse Senaat het groene licht al gegeven om de Amerikaanse vloot met 68 oorlogsschepen uit te breiden en daarvoor een budget goedgekeurd van bijna $ 6.000.000.000,–. Op 30 juli 1940 werd de uitbreiding van een ‘twee-oceanenvloot’ goedgekeurd en werd daarvoor nog eens $ 5.000.000.000,– ter beschikking gesteld.

De oorlog met Japan en deelname aan de Tweede Wereldoorlog was voor Amerika ZEKER geen donderslag bij heldere hemel en werden niet alleen miljoenen Amerikaanse burgers misleid omtrent de ware toedracht!

In wezen was het Amerika zélf dat de eerste schoten loste en daarmee formeel de niet verklaarde oorlog startte. Decennia later bevestigde de ontdekking van onderzoekers van het Hawaii Undersea Research Laboratory dat de eerste schoten die de oorlog inluidden daadwerkelijk afgevuurd waren door de Amerikaanse destroyer USS Ward. Om 06.53 uur zond bevelvoerend kapitein William Woodward Outerbridge het navolgende bericht naar het oppercommando van ‘14th Naval District’ “We have attacked, fired upon and dropped depth charges upon submarine operating in defensive sea area”. Tweeënzestig minuten vóórdat de eerste Japanse aanvalsgolf om 07.55 uur de Amerikaanse basis aanviel werd een 24 meter lange Japanse miniduikboot door de USS Ward tot zinken gebracht.

De met torpedo’s uitgeruste 2-persoons minionderzeeër werd gekelderd voordat hij samen met 4 andere minionderzeeërs in actie had kunnen komen tegen de Amerikaanse vloot. Op enkele kilometers van de Amerikaanse marinehaven en op 366 meter diepte is deze duikboot aangetroffen. De Japanse aanval was niets minder dan een zorgvuldig geregisseerde false-flag operation en zou door Amerika worden aangegrepen om de oorlog te verklaren aan Japan waarop Nazi-Duitsland op haar beurt de oorlog verklaarde aan Amerika.

krant harbor 2

“Oorlog is Misleiding en Bedrog”- Fré Morel, Uitgeverij Papieren Tijger, Breda ISBN 978 906 728 275 8
Afbeeldingen:Gerard de Boer

Pseudowaarheid Wilkomirski & Kosinski

BrokstukkenOp het gebied van pseudoherinneringen waar angst en stress een belangrijke rol in gespeeld hebben bestaan over de afgelopen decennia ontelbare voorbeelden. Zonder de bedoeling te hebben om een compleet overzicht te geven hier paar bijzondere voorbeelden van personen die op (inter-)nationaal gebied de aandacht getrokken hebben met hun verhalen en op hun beurt weer anderen beïnvloedden, Binjamin Wilkomirski en Jerzy Nikodem Kosinski.

In het door Binjamin Wilkomirski geschreven boek ‘Fragments: Memories of a Wartime Childhood 1939-1948’ (in Nederland uitgegeven door uitgeverij Bert Bakker onder de titel ‘Brokstukken’) beschreef hij onder andere hoe hij als kind twee Duitse concentratiekampen overleefde en beschreef hij de vaak sadistische taferelen zoals door hem beleefd in de kinderbarakken van de kampen van Majdanek en Birkenau. “I can only try to use words to draw as exactly as possible what happened, what I saw.” Het werk van Wilkomisrski werd van alle kanten lof toegezwaaid. De Amerikaanse auteur Daniel Goldhagen noemde Wilkomirski’s boek “a small masterpiece” en het boek werd vergeleken met het ‘Dagboek van Anne Frank’. De stad Zürich verleende hem een prijs voor zijn literaire bijdrage en hij ontving de prestigieuze Prix Mémoire de la Shoah.

In 1998 werd Wilkomirski in het blad Die Weltwoche door schrijver Daniel Ganzfried ontmaskerd als fantast en leugenaar. Wilkomirski bleek in werkelijkheid het in 1941 geboren en door een Pools artsenechtpaar opgevoede pleegkind Bruno Doessekker te zijn. Zijn hele jeugd had hij in Zwitserland doorgebracht en de genoemde gruwelkampen had hij alleen als toerist bezocht. Volgens de Amerikaanse journalist Mark Pendergrast had Wilkomirski zich van de wijs laten brengen door pseudo-herinneringen, maar Wilkomirski bleef vasthouden aan zijn verhaal. Hierop werd een uitgebreid onderzoek gestart door historicus Stefan Maechler die de hele affaire tot op de bodem uitzocht. Een 371 pagina’s tellend werk was het eindresultaat – “The Wilkomirski Affair: A study in biographical truth.” Wilkomirski was beslist geen holocaustslachtoffer maar een bedrieger die zich vooral had laten inspireren door een documentaire over de kampbewaarders van kamp Majdanek en het boek van … Jerzy Kosinski, ‘The Painted Bird’. Voor Israel Gutman, voormalig Auschwitz gevangene, later directeur van het Yad Vashem Museum en docent aan de Hebreeuwse Universiteit maakte het bedrog van Wilkomirski in feite niets uit omdat Wilkomirski “een verhaal geschreven had dat hij diep doorvoeld had” en daardoor “het verhaal in het diepst van zijn ziel (had) meegemaakt.”

De geverfde vogelAuteur Jerzy Nikodem Kosinski (geboren als Jerzy Lewinkopf) schreef het boek ‘The Painted Bird’, het boek waar Wilkomirski zich zo door had laten inspireren. Het handelde hier om Kosinski’s autobiografische verslag, over zijn zwerftocht in de Tweede Wereldoorlog door het vijandige antisemitische Poolse platteland en over de sadistische seksuele martelingen. De Amerikaans-Joodse Dr. Norman Gary Finkelstein was een van de personen die Kosinski ontmaskerde als fantast. Kosinski’s boek werd “het product van een door sadomasochistisch geweld geobsedeerd brein” genoemd. In werkelijkheid bleek hij de hele oorlog bij zijn ouders thuis gewoond te hebben en werd de familie Kosinski juist beschermd door de Poolse plattelandsbevolking, ondanks de represailles die daarvoor golden. Desondanks riep Eli Wiesel (schrijver en voorzitter van de Presidential Commission on the Holocaust) in The New York Times Book Review het boek The Painted Bird uit tot “een van de beste aanklachten over de nazitijd, geschreven met diepe oprechtheid en gevoeligheid.” Opmerkelijk genoeg werd (en wordt) Eli Wiesel op zijn beurt beschuldigd een ziekelijke fantast te zijn.

Het Lugubere Kerstsprookje ’44

Duitse soldaten executie

Het is december 1944, in de vooravond van Kerst wordt in de Belgische Ardennen een verbeten strijd geleverd tussen de Geallieerde en Duitse legereenheden. Een eenheid Duitse commando’s van Otto Skorzeny, voert in buitgemaakte Amerikaanse uniformen en materieel achter de geallieerde linies operatie ‘Greif’ uit. De bedoeling hierbij is om bruggen op te blazen, verwarring te stichten en de geallieerde opmars tot staan te brengen.

Op zondag 17 december 1944 worden in de buurt van de Belgische plaats Aywaille drie Duitse commando’s opgepakt, het zijn de 24-jarige Wilhelm Schmidt (Gefreiter – 5 Kompagnie 23, Luftwaffen-Nachrichtenregiment), de 21-jarige Gunter Billing (Oberfahnrich – Marinenachrichtendienst) en de 23-jarige Manfred Pernass (Unteroffizier 3 Kompagnie 4, Nachrichten-Ersatzbataillon).

Zij zullen de Kerstdagen 1944 niet meer meemaken. In een snelrechtzitting worden de drie Duitse commando’s ter dood veroordeeld en op zaterdag 23 december 1944 voor een betonnen gebouwtje in de plaats Henri-Chapelle door een Amerikaanse vuurpeloton geëxecuteerd.

De executie van deze drie werd uitgebreid op foto en film vastgelegd. Fotograaf John Flora maakte hiervan een fotoreportage voor het Amerikaanse blad Life magazine die het fotomateriaal – een half jaar later – op maandag 11 juni 1945 opnam in een aantal pagina’s groot artikel. (https://books.google.nl/books?id=_EkEAAAAMBAJ&printsec=frontcover&source=gbs_ge_summary_r&hl=nl#v=onepage&q&f=false) – Volledige verslag vanaf pag. 47.

De foto’s van de drie geëxecuteerden werden handmatig bewerkt en gemonteerd tot een compacter fotobeeld.  Zo werd de foto met Manfred Pernass – die tijdens de executie uiterst rechts aan een paal gebonden was – iets verkleind aan de linkerzijde van de fotomontage geplaatst.

De foto waarop het lichaam van Gunter Billing rechts aan de paal hangt werd iets vergroot en hield zijn centrale plek in de fotomontage.

De foto met daarop het naar voren hangende lichaam van Wilhelm Schmidt – die tijdens de executie uiterst links aan de paal gebonden was – werd aan de rechterkant van de fotomontage geplaatst. Hierdoor werd er een unieke weergave gecreëerd.

Anders dan de onderstaande drie losse fotodelen werd de eindmontage zo in elkaar geplakt en ietwat geretoucheerd dat het op het eerste gezicht een idee gaf van een complete foto.

Drie Duitse soldaten

Uiterst opmerkelijk is dan dat een nagenoeg exacte afbeelding tevoorschijn komt in het door Nazi-jager Simon Wiesenthal in 1946 uitgebrachte boekwerkje KZ-Mauthausen Wort und Bild. Deze afbeelding is echter getekend en de uniformen van de mannen en de achtergrond is zijn vervangen voor gestreepte gevangenenkleding en een prikkeldraadomheining. De ondertekening van deze afbeelding luidt: SWiesentahl 45.

Wiesenthal fraude

Daaronder staat – in het Duits –  het volgende bijschrift te lezen:

“Markies De Sade zou met wellust zijn vervuld als hij een galg in dat concentratiekamp had gezien. Zijn trouwe volgelingen, de SS-beulen, zijn op executiedagen opgewonden. Het geeft afwisseling, niet steeds dat eentonige doodschieten en doodslaan, maar iets wat je kunt fotograferen. Er wordt gewed om rondjes bier hoe lang de gevangene het uithoudt. Hij mag niet te vroeg sterven. Als dat dreigt, wordt hij losgemaakt en zodra hij wat hersteld is verder gegaan. Tot meerdere glorie van de Duivel!”

Een uiterst giftige en suggestieve tekst met een niet verholen haat opwekkende boodschap, een letterlijk en figuurlijk valse boodschap waarbij met absolute zekerheid gesteld moet worden dat Simon Wiesenthal welbewust en opzettelijk zijn eigen haat vorm heeft gegeven door middel van een tekening waarvoor de drie Duitse commando’s – een half jaar eerder – ‘model’ gestaan hebben. Een verlaat en luguber Kerstsprookje.

Volk, Rijk en (irre) Fuhrer

Coudenhove-KalergiDe oprichter van de ‘Pan Europese Beweging’ was Graaf Richard Nikolaus Coudenhove-Kalergi, vrijmetselaar en wereldfederalist. Navolgend als ‘tussenspel’ volgen enkele verbanden die gelegd kunnen worden. In 1922 verscheen bij ‘Verlag der Neue Geist’ in Leipzig van de hand van Coudenhove-Kalergi het boek ‘Adel’ met daarin praktische voorstellen om te komen tot wereldvrede onder controle van een door hem beschreven superras.

Hem stond een nieuw Europees eenheidsrijk voor ogen met een doelgericht gekweekte Eurasisch-Negroïde wensbevolking en was van mening dat een (één-)wereldrepubliek naar model van het Romeinse Rijk dé vredebrengende oplossing zou zijn voor alle oorlogen: “This eternal war can end only with the constitution of a world republic… The only way left to save the peace seems to be a politic of paeceful strength, on the model of the Roman Empire, that succeeded in having the longest period of peace in the west thanks to the supremacy of his legions.”

In 1925 verscheen ‘Praktischer Idealismus’, een boek waarin de inhoud van ‘Adel’ opgenomen en aangevuld was met een aantal hoofdstukken. Naar mening van Coudenhove-Kalergi zou vrede, vrijheid en voorspoed gegarandeerd worden als deze superstaat onder controle stond van een ‘Qualitätsrasse’. In zijn boek ‘Adel’ beschreef hij hen als “geistigen Führerrasse Europas, dem Judentum.”

Het jodendom was in zijn ogen bij uitstek geschikt voor een ‘Herrenrasse’ omdat zij over het ‘betere bloed’ beschikten “das Judentum ist der Schoß, aus dem ein neuer, geistiger Adel Europas hervorgeht; der Kern, um den sich ein neuer, geistiger Adel gruppiert. Eine geistig-urbane Herrenrasse”. Wat betreft dit nieuw gefokte ‘aristocratische ras’, daarover wist de Leeuwarder Courant van 24 februari 1931 te melden dat met name in Oostenrijk en Hongarije het bloed van de oude feudale adel zich met succes en in toenemende mate met de Joodse intelligentie vermengde. Naast de vorst van Liechtenstein die zich met de Joodse barones Elisabeth von Gutmann had verbonden werd met name ook graaf Adrás Bethlen genoemd als ‘rasverdelaar’.

Het betreffende artikel ging wat uitgebreider in op de oude Hongaarse adel en en ‘nieuwe’ geldadel en werd het artikel besloten met de woorden dat “het ideaal van graaf Coudenhove in Hongarije op de beste weg is verwezenlijkt te worden”. Volgens Coudenhove-Kalergi was de totstandkoming van een ‘Herrenrasse’ niets anders als een logisch gevolg van onderdrukking en vervolging omdat onder “vielfach erschwerten Lebensbedingungen alle Juden zugrunde” gegaan waren “die nicht geschickt, klug und erfinderisch genug waren, den Daseinskampf in dieser schwierigsten Form zu bestehen”. ‘Dank zij’ deze kunstmatige selectie – “künstlichen Ausleseprozeß” – was het jodendom volgens Coudenhove-Kalergi veredeld tot een nieuw Adelsras.

Door gerichte voortplanting en vermenging zou dit Adelsras opgefokt worden om haar geschikt te maken voor hun edele taak, (…..) geen taak voor minderwaardige levensvormen (…) “Nur den edelsten Männern wird die Verbindung mit den edelsten Frauen freistehen und umgekehrt – die Minderwertigen werden sich mit den Minderwertigen zufrieden geben müssen. Dann wird die erotische Lebensform der Minderwertigen und Mittelmäßigen Freie Liebe sein, der Auserwählten: Freie Ehe. So wird der neue Zuchtadel der Zukunft nicht hervorgehen aus den künstlichen Normen menschlicher Kastenbildung, sondern aus den göttlichen Gesetzen erotischer Eugenik.”

Coudenhove-Kalergi was een aanhanger van het zionisme, evenals zijn vader die zichzelf tot de intieme vriendenkring van Theodor Herzl mocht rekenen. Coudenhove-Kalergi was ook nauw betrokken bij het voorontwerp van de vlag die later de vlag voor de Europese Unie zou worden. Arsène Heitz tekende uiteindelijk voor het definitieve ontwerp, een cirkel met twaalf gele sterren op een blauwe ondergrond, uitgevoerd door de Belg Paul Michel Gabriel Lévy. Coudenhove-Kalergi, de peetvader van de Europese Unie, bleek een inspirerende grootheid. Clearence Kirschmann Streit (een van de leden van de Amerikaanse onderhandelingsdelegatie in Parijs, 1919) baseerde op het werk van Coudenhove-Kalergi zijn epos ‘Union Now’ dat in 1938 uitgebracht werd met daarin (hoe verrassend) de blauwdruk voor een ‘nieuwe wereldorde’ in de vorm van een federatie van alle wereldstaten.

Bron: ‘Oorlog is Misleiding en Bedrog’ – Fre Morel, uitgeverij Papieren Tijger – Breda

De Valse Vlag achter de oorlog van 1898

In 1898 vond de eerste oorlog plaats buiten de grenzen van het Amerikaanse vasteland, maar pas nadat tevoren uitvoerig studie was gedaan hoe en onder welk scenario deze oorlog op te starten.

Spaanse oorlog 1898

 

 

 

 

 

 

In 1868 start de Tienjarige opstand in Cuba tegen de Spaanse overheersing, een opstand die in 1878 voorlopig in bloed gesmoord wordt. In 1890 publiceert Alfred T. Mahan onder de noemer van een studie The Influence of Sea Power upon history, 1600-1783 en stelt daarin voor dat Amerika zijn machtsvleugels zou moeten uitslaan. Hij pleitte ervoor dat de Verenigde Staten de Caribische eilanden, Hawaï en de Filipijnen zou moeten annexeren en deze als vooruitgeschoven bases te gebruiken om de Amerikaanse handelsbelangen te beschermen. Ter ondersteuning van dit expansionistische plan wordt in januari 1892 de Cubaanse Revolutionaire Partij (El Partido Revolucionario Cubano) opgericht die bijeenkomsten organiseert in de steden New York, Philadelphia en verder verspreidt in de Verenigde Staten. In hetzelfde jaar wordt ook de La Liga Filipina beweging opgericht, een organisatie die langs vreedzame weg wil de Filipijnen de democratie moet gaan brengen. Drie jaar later – in 1895 – wordt de Cubaanse onafhankelijkheidsbeweging opgericht (Ejército Libertador de Cuba) en begint de Cubaanse Revolutionaire Partij in Amerika op te roepen tot revolutie. Amerika laat bij monde van president Cleveland in eerste instantie weten zich neutraal op te stellen in de Cubaanse Opstand.

In begin 1896 worden de zetten van het Amerikaanse buitenlandse politieke schaakspel al wat duidelijker. De Senaat meent – op initiatief van John T. Morgan en Donald Cameron – dat Amerika niet werkeloos terzijde kan blijven staan in de – handig mee veroorzaakte – Cubaanse Crisis en roepen president Cleveland op om de ontwikkelingen nauwlettend te volgen. Ook in de Filippijnen worden de onlusten heviger en ontbrandt ook daar de revolutie. President Cleveland laat – conform regels van het spel – weten dat Amerika niet aan de zijlijn kan blijven staan als Spanje de Cubaanse Crisis niet weet op te lossen. Spanje zoekt tevergeefs steun in Europa voor de lastige politieke situatie. Engeland de belangrijkste West-Europese speler geeft niet thuis.

Heel toevallig en comfortabel presenteert in hetzelfde jaar – 1896 – William Warren Kimball – een Amerikaans marine-inlichtingenofficier zijn militair operatieplan voor een mogelijke oorlog tegen Spanje. Het plan voorziet in maritieme acties tegen Havana en aanvallen op Manilla om zo Cuba te bevrijden van het Spaanse Juk.

De executie in het begin van 1897 van de Cubaanse rebel Adolfo Rodrígez door een Spaans executiepeloton wordt door de New York Times en de New York World van resp. William Randolph Hearst en John Pullitzer op zeer tendentieuze wijze aan het lezerspubliek gepresenteerd. Hierdoor stijgt de anti-Spaanse stemming in Amerika tot ongekende hoogten. De Amerikaanse publieke opinie neigt hierdoor steeds meer naar militair ingrijpen in de Cubaanse Crisis. Spanje stelt alles in het werk om de onrust in zijn overzeese eilandenrijk tot bedaren te brengen. Het voert bestuurlijke veranderingen door, opent de onderhandelingen met de opstandelingen en probeert met het bieden van geld en amnestie Amerikaans ingrijpen te voorkomen.

In 1898 volgen de ontwikkelingen elkaar in een sneltreinvaart op en zou dat het jaar van de bloedige beslissing en omwenteling worden.

Onder massieve Amerikaanse druk verleend Spanje in januari 1898 aan Cuba beperkte autonomie. Uit protest tegen de Amerikaanse machtschantage stapt de Spaanse ambassadeur in Amerika Enrique Dupuy de Lôme op. De New York Journal van John Pullizer zorgt ervoor dat de Amerikaanse publieke opinie zich verscherpt door in begin februari 1898 een brief te publiceren van Enrique Dupuy de Lóme’s waarin hij het beleid van de Amerikaanse president McKinley bekritiseert. Op 15 februari 1898 explodeert de USS-Maine in de Cubaanse haven Havana en een groot deel van de bemanning komt daarbij om het leven. De ramp zal dé aanleiding zijn voor een nog fellere anti-Spaanse mediacampagne door de Pullitzer en Hearst haatpers en staat Amerikaans militair ingrijpen voor de deur.

Nauwelijks 3 weken na de ramp – op 19 maart 1898 – stelt het Amerikaanse Congres maarliefst 5 miljoen dollar beschikbaar om het militaire apparaat op sterkte te brengen en is het senator Redfield Proctor die oproept om Spanje de oorlog te verklaren. Diezelfde dag nog verlaat het oorlogsschip USS Oregon de haven van San Francisco en verklaart een onderzoekscommissie dat de ondergang van de Maine veroorzaakt moet zijn geweest door een (Spaanse) mijn. De Verenigde Staten overhandigen eind maart 1898 aan Spanje een ultimatum en draagt haar op om zich uit Cuba terug te trekken. Spanje weigert waarop de New York Yournal op 4 april 1898 een mediaoffensief start om Amerikaanse publieke opinie zover te brengen dat ze ervoor zal zorgen dat het Amerikaanse leger de oorlog tegen de Spaanse bezetter zal starten. Meer dan een miljoen kranten roepen op tot oorlog!

Cuba stelt op 9 april 1898 een adempauze voor, een voorstel dat de Amerikaanse president William McKinley beantwoordt door op 11 april 1898 aan het Amerikaanse Congres toestemming te vragen om ten strijde te mogen trekken om aan de Cubaanse Crisis een einde te maken. De oorlog staat nu eenmaal op het programma.

Op 19 april 1898 stemt het Amerikaanse Congres met 311 tegen 6 stemmen en het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden met 42 tegen 35 stemmen in mét een oorlog tegen Spanje, echter wél met de beperking enkel een einde te maken aan de Cubaanse onlusten en Cuba weer te verlaten zo snel als de gevechten voorbij zijn: to leave the island as soon as the war is over. (Senator Henry Moore Teller Resolution)

Twee dagen later – op 21 april 1898 – geeft president William McKinley opdracht Cuba door een marineblokkade te isoleren en verlaat de Amerikaanse vloot op 22 april 1898 de marinehaven van Key West in Florida. Overal in de Verenigde Staten worden vrijwilligers opgeroepen om hun leven in te zetten om de Spaanse onderdrukker uit Cuba te verdrijven. Aan een leger van 125.000 jonge, krachtige en moedige mannen denkt men in eerste instantie voldoende te hebben.

Op 25 april 1898 is het dan eindelijk officieel oorlog en starten op 1 mei 1898 de gevechten. De kruisers U.S.S. Olympia, Raleigh, Boston, en Baltimore, de kanonneerboten Concord en Petrel, de ondersteunende kotter McCulloch, de hulpkruiser U.S.S. Charleston en de monitors U.S.S. Monadnock en Monterey laten zien wat de vernietigende kracht is van hun geschut. In een amper 6-uur durende zeeslag wordt de Spaanse vloot finaal vernietigd. De Spaanse kruisers María Cristina en Castilla, de kanonneerboten Don Antonio de Ulloa, Don Juan de Austria, Isla de Luzón, Isla de Cuba, Velasco en Argos worden tot zinken gebracht.

Mensenvernietiging kost geld, veel geld, en het Amerikaanse Congres stelt op 2 mei 1898 een oorlog-noodcrediet beschikbaar van $34,625,725. Het zijn de oorlogsbankiers die bij deze mens- en materiaalvernietiging wél-varen.

De oorlogsbaronnen laten zich niet eerder stoppen dan nadat Spanje op 10 december 1898 definitief bakzeil haalt in de Vrede van Parijs en afstand doet van haar bezittingen in ruil voor een afkoopsom van $20,000,000. Cuba, Puerto Rico, het eiland Guam en de Filipijnen zijn overgegaan in Amerikaanse handen, alles volgens scenario zoals William Warren Kimball in zijn 2 jaar daarvoor gepresenteerde krijgsplan had uitgewerkt.

Het Dagboek van Cynthia Asquith

Cynthia AsquithWe schrijven het jaar 1915, het geweld van de Eerste Wereldoorlog belaagde sinds augustus 1914 miljoenen. Vele tienduizenden mensen waren al door het oorlogsgeweld om het leven gekomen, voor miljoenen Europese burgers was het een gruwelijk dagelijks verhaal.

In de ‘betere Engelse kringen’ maakte – naast alle gossip en ‘kitschquatsc’ – ook de toestand aan het front onderdeel uit van het tafelgesprek, zo ook bij de familie Asquith. In het gezin van Herbert Henry Asquith – sinds 5 april 1908 minister-president van het Britse Rijk – werd de oorlog gelijktijdig met het eten opgediend. Zij die aanzaten en meeaten deelden in de berichtgeving over ellende en de gruwelijkheden die daaraan verbonden waren. Zo òòk schoondochter Cynthia, de echtgenote van zijn tweede zoon Herbert. In de nobele kring rondom de familie Asquith bewoog zich ook ‘Duff Cooper’, een aan drank-, gok-, en sexverslaafde schuinsmarcheerder. Behalve een goede bekende van Raymond Asquith, de oudere broer van Herbert was Duff ook een minder succesvol auteur, later politicus en diplomaat.

Het was aan Alfred Duff Cooper te danken dat Cynthia Asquith in 1915 startte met het bijhouden van een dagboek om zo de geschiedenis én de gedachten eraan vast te houden. Hij gaf haar in april 1915 het eerste blanco boekwerk waarin zij haar zielenroersels kwijt kon. Zelf sloeg Duff Cooper ook driftig aan het schrijven. Van hem zijn The Duff Cooper Diaries 1915–1951 bekend, waarin hij onder andere verhaald van zijn vele dronken en seksuele escapades. Wat de toegevoegde waarde daarvan is moet elk voor zichzelf bepalen.

Het dagboek van Cynthia is echter veel minder bekend, in elk geval minder onthullend op seksueel vlak maar op historisch vlak wel weer interessant. In haar op 9 mei 1968 verschenen dagboek ‘Lady Cynthia Asquith – Diaries 1915-1918’ is een opvallende dagtekening te belezen, een oorlogsgerucht, een leugen, die later in de geschiedschrijving een immens grote rol zal spelen. Het zorgde ervoor dat de haat tot hoogte opgezweept en de mensenslachting daardoor nodeloos verlengd werd. Laat ons de geschied-en-is van Cynthia eens wat nauwgezetter bekijken.

De op 27 september 1887 geboren Cynthia Mary Evelyn Charteris werd in 1910 de echtgenote van de zes jaar oudere Herbert Asquith. In familiekring werd Herbert liefkozend ‘Beb’ genoemd. Herbert de dichter, schrijver en advocaat. Het was een huwelijk ‘op stand’, want ook Cynthia kwam uit een nobel nest. ‘Noblesse Oblige’ oftewel Adel Verplicht zoals het spreekwoord luidt, vandaar. Vanaf dat moment stond ze bekend onder de afkorting LCA wat de beginkapitalen waren van haar naam: Lady Cynthia Asquith, later zou ze ook bekend worden als schrijfster. Het genre waar ze zich op richtte had voornamelijk met horror- geest en spookachtige zaken te maken. Haar eerste titel, The Ghost Book, was een bovennatuurlijk sciencefiction verhaal dat in 1920 verscheen, maar daaraan voorafgaand valt nog het een en ander te vertellen.

In 1917 werd de 30-jarige Cynthia secretaresse van James Matthew Barrie. De 57-jarige Barrie was een – in beginsel niet bepaald succesvol – auteur die voor 1900 al een serie korte verhalen geproduceerd had. Een ietwat zonderlinge man met problematische relationele verhoudingen en los daarvan had hij ietwat opvallende vriendschappen met jonge kinderen. Net voor de eeuwwisseling kwam er een kentering en begon zijn publicitair succes toen hij in het voorjaar van 1897 in het Kensington Park in contact kwam met een paar jonge jongens, de Llewelyn Davies Boys. Kinderverzorgster Mary Hodgson wandelde met de 4-jarige George, de 3-jarige John (‘Jack’) en de pasgeboren Peter in Kensington Park en Barrie voelde zich erg door hen aangetrokken. Hij trok gekke gezichten, liet zijn hond kunstjes doen en knoopte gesprekken aan met de peuters. Hij vertelde George en Jack korte verhaaltjes waarin hij ze zelf de hoofdrol liet spelen. Hij vertelde hen dat baby´s – zoals Peter – eigenlijk vogels waren voordat ze geboren werden. Daarom ook plaatsten ouders in het begin uit voorzorg een traliewerk voor de ramen van kinderkamers om te voorkomen dat de baby weg zou fladderen.

George, Jack en Peter waren de kinderen van het echtpaar Arthur en Sylvia Llewelyn Davies. Arthur was advocaat en zijn vrouw Sylvia was de dochter van een succesvol Frans cartoonist en auteur. In december 1897 ontmoette James Barrie de ouders voor het eerst tijdens een dinerparty. Het was daar dat Sylvia hem vertelde dat haar zoon Peter vernoemd was naar het door haar vader geschreven stuk, ‘Peter Ibbetson’. De Llewelyn Davies kinderen waren een ware inspiratie voor Barrie, door en voor hen schreef hij diverse verhalen, zoals ‘The Boy Castaways’, een uniek – uit twee exemplaren bestaand – fotoboek waarin George en Jack op een eiland spannende avonturen beleefden en tegen piraten vochten. Het resulteerde in 1901 tot het verhaal van ‘The Little White Bird’ waarin Peter Llewelyn Davies de rol van Peter Pan’  kreeg toebedeeld. In 1904 werden de verhalen van de ‘Lost Boys’ en ‘Wendy Darling’s brothers’ door Barrie verwerkt in het succesvolle toneelstuk ‘Peter Pan, or The Boy Who Wouldn’t Grow Up’ dat in het Londense Duke of York’s Theatre zijn eerste uitvoering zag.

De Llewelyn Davies Boys waren voor James Barrie een inspiratie, zegen en een goudmijn tegelijk. De Llewelyn Davies familie ontving daarvoor ook een deel van de royale verdiensten die Barrie ontving voor zijn, op hun kinderen geïnspireerde, verhalen. De band tussen James Barrie en Arthur Llewelyn Davies was niet bepaald harmonieus. Vader Llewelyn Davies zag in James Barrie een bedreiging voor zichzelf als echtgenoot, vader en er deden nogal wat verontrustende verhalende de ronde over de pedofiele belangstelling van Barrie. Wat er precies speelde werd om onbekende redenen buiten de boeken gehouden. Wel was duidelijk dat hij al voordat hij de Llewelyn Davies Boys tegenkwam met diverse jonge kinderen wat ‘nauwere’ vriendschapsbanden had. Ook was bekend dat hij met zijn eigen vrouw in onmin leefde en dat zij openlijk een langdurige affaire aanging met een van zijn vrienden. Ze weigerde die te beëindigen en zonder veel opzien te baren ging het paar uit elkaar, daarbij gesteund door veel bevriende auteurs die de media op het hart drukten daarvan géén spektakel te maken. Slechts 3 kranten gaven daaraan geen gehoor. Of en wat er verdonkeremaand moest worden daarover ratelde de geruchtenmachine.

In 1907 overleed vader Arthur Llewelyn Davies aan kanker en drie jaar later, in 1910, overleed ook moeder Sylvia aan kanker. In haar laatste wil had moeder Sylvia gevraagd of Barrie, samen met een 4 tal anderen, de zorg en verantwoording voor de onderhand vijf jongens te dragen. In 1900 had Michael en 1903 Nico het gezin aangevuld en bestond de het gezin nu uit vijf kinderen. Barrie zorgde o.a. mede voor huisvesting, voeding en onderwijs en de dagelijkse verzorging bleef in handen van Mary Hodgson. Na het overlijden van moeder Sylvia werd het verhaal van Peter Pan in 1911 vereeuwigd in de roman ‘Peter and Wendy’. Peter Pan bracht James Barrie fame and fortune.. de kinderen en met name Peter Llewelyn Davies ondervonden de negatieve kanten. Hij was voor de buitenwereld ‘The Original Peter Pan’

Zes jaar later, in 1917, kwam Cynthia als secretaresse in dienst van James Matthew Barrie. Het bracht haar in contact met vele andere auteurs. In eerste instantie had ze niet bepaald literaire ambities, in tegendeel. De eerste regels in haar dagboek op 15 april 1915 maken dat meer dan duidelijk: “I have always thought it would be unwholesome for me to attempt to write a diary”. Toch kreeg ze de smaak te pakken en pende dag na dag wat haar zo bezig hield. De tafelgesprekken in huize Asquith waren met regelmaat de basis van haar denksels. De ellende, de dood, de stand van zaken aan het front ende toestand  in de wereld passeerden de revue en ook de kletspraat en roddels, de gossip en ‘kitschquatsch’.

Zo ook op 16 juni 1915 waarin ze beschrijft hoe ze samen met vader en moeder (Asquith) en haar man ‘Beb’ dineert, samen met Adele Essex, Fox MacDonald en Eloïse Ancaster. Het was ‘quite a pleasant dinner’. Het onderwerp was ook erg interessant.. ze bediscussieerden het verhaal dat de Duitsers de lijken van de gevallen soldaten verwerkten tot Glycerine met zeep als nuttig bijproduct! Cynthia stelde voor dat de zwaarlijvige Kamervoorzitter (Lord Chancellor) Richard Burdon Haldane zich bij David Lloyd George – de minister van financiën – kon aanbieden als basisgrondstof voor Glycerine en zeep. Uit Glycerine werd o.a. Nitroglycerine gewonnen, een vloeibaar explosief en Haldane was om zijn pro-Duitse houding niet bepaald geliefd binnen bepaalde Engelse politieke kringen.

De optekening van Cynthia over het Glycerine en Zeep verhaal is daarom zo interessant omdat dit onzinverhaal twee jaar later, op 16 april 1917 tien dagen nádat Amerika besloten had om zich in het wereldstrijdgewoel te begeven – verscheen in de Times en de Daily Mail. Beide bladen waren onderdeel van de propagandistische Northcliffe Press en met het artikel “Through German Eyes” dat handelde over ‘Corps Exploitation Establishments’ werd door dit leugenverhaal de haat tot grote hoogte opgezweept en het oorlogsvuur verder opgestookt. Met Amerika als bondgenoot zou de feitelijk verloren oorlog gegarandeerd gewonnen worden!

Hoe het verder ging met James Barrie en Peter Pan? Dat is net zo’n gruwelijk sprookje.

De Llewelyn Davies jongens hadden een wisselende verstandhouding met Barrie. Met secretaresse Cynthia Asquith was de verstandhouding evenmin geweldig en stierven ze allen óf vroeg, óf droegen een vervelende levenslast met zich mee, zoals Peter. Hij ging gebukt onder de last van de ‘The Original Peter Pan’, had moeilijkheden zich in het leven staande te houden en de eindjes aan elkaar te knopen. Hij hoopte, ooit, als genoegdoening op een toereikende financiële ondersteuning. Hij rekende op een erfdeel in het behaalde succes maar hij kwam bedrogen uit. Het copyright van Peter Pan had Barrie nét voor zijn dood in april 1929 aan het Great Ormond Street Hospitaal geschonken en de overige rechten en nalatenschap kwamen bij zijn overlijden in andere handen. Dat gebeurde toen Barrie op zijn sterfbed lag en Peter – ondanks dat hij een hekel aan haar had – op zijn verzoek Cynthia Asquith belde. Deze verscheen, mét een dokter én een advocaat. Barrie tekende net voor zijn levenseinde een aangepast testament die zijn complete nalatenschap in handen gaf van zijn secretaresse, Cynthia Asquith. Nico, de jongste van de Llewelyn Davies jongens liet later weten dat Peter Cynthia Asquith daarom haatte en dat “that phone call the Greatest mistake of his life” was. ‘The Original Peter Pan’ raakte aan de drank en op 5 april 1960, nadat hij zich bezat had in het Royal Court Hotel, sprong de dan 63 jarige Peter op Sloane Square Station in hartje Londen onder de aanstormende trein. Toen… was het sprookje van Peter Pan uit. En dat.. stond niet in…

Het Dagboek van Cynthia Asquith

De Duitse Kadaverfabrieken

RIFzeep 2

Gedurende WOI werd de propagandastrijd door alle partijen gestreden en woedde aan alle fronten in alle hevigheid. Eén van de ‘hoogtepunten’ in die leugenstrijd was het verhaal van de ‘Duitse Kadaverfabrieken’. Dit was een misleidend en manipulatief bedenksel van de Engelse propagandamachine. Net als het Engelse Parlementslid Arthur Ponsonby zo’n tachtig jaar voor hem liet auteur James Hayward hierover in zijn boek ‘Myths & Legends of the First World War’ een verhelderend licht schijnen.

Op 16 april 1917 – tien dagen nádat Amerika besloten had om zich in het wereldstrijdgewoel te begeven – verscheen in de Times en de Daily Mail (beide onderdeel van de propagandistische Northcliffe Press) een artikel onder de kop “Through German Eyes” dat handelde over ‘Corps Exploitation Establishments’.

Door Fré Morel Vasthoudend, volhardend met open geest, niet links of rechts, maar VRIJ-denkend

(Long Read!)

Het artikel handelde over onvoorstelbare lijkschennende praktijken door Duitsland. Er werd gesproken over “cremation establishments at Seraing and near Brussels”. Gesneuvelde soldaten zouden met ijzerdraad in bundels van 3 tot 5 stuks worden samengebonden “in bundles like asparagus” en in treinwagons van het slagveld naar een verwerkingsfabriek ten zuidwesten van Koblenz worden getransporteerd. Deze fabriek was gesitueerd in de omgeving van Gerolstein in het Eiffelgebergte in een ontoegankelijk en met prikkeldraad omheind kamp dat in dichte bossen verborgen lag.

In een apart deel van het kamp trokken van speciale kleding en maskers voorziene ‘einsatzkommando’s’ met behulp van ijzeren haken de lijken uit de treinwagons en ontdeden ze van de resterende uniformkleding, schoeisel en alle andere bruikbare zaken om ze op een transportband te schuiven. De ontklede lijken dompelde men eerst in een desinfecterend bad waarna ze in een droogkamer terechtkwamen. Daarna vervoerde de transportband de lijken naar een stoomoven waarin men ze verwerkte in een zes tot acht uur durend kook- en roerproces tot margarine, smeervet, smeerolie, zeep “of yellowish brown colour” en (nitro-)glycerine!! Het resterende afval gebruikte men voor lijmfabricage, als diervoerder en kunstmest.

The factory is invisible from the railway. It is placed deep in forest country, with a specially thick growth of trees about it. Live wires surround it. A special double track leads to it. The works are about 700 ft. long and 110 ft. broad, and the railway runs completely around them. In the north-west corner of the works the discharge of the trains takes place. The trains arrive full of bare bodies, which are unloaded by workers who live at the works. The men wear oilskin overalls and masks with mica eye-pieces. They are equipped with long hooked poles, and push bundles of bodies to an endless chain, which picks them with big hooks, attached at intervals of 2 ft. The bodies are transported on this endless chain into a long, narrow compartment, where they pass through a bath which disinfects them. They then go through a drying chamber, and finally are automatically carried into a digester or great cauldron, in which they are dropped by an apparatus which detaches them from the chain. In the digester they remain for six to eight hours, and are treated by steam, which breaks them up while they are slowly stirring the machinery. From this treatment result several procedures.

The fats are broken up into stearin, a form of tallow, and oils, which require to be redistilled before they can be used. The process of distillation is carried out by boiling the oil with carbonate of soda, and some of the by-products resulting from this are used by German soap makers. The oil distillery and refinery lie in the south-eastern corner of the works. The refined oil is sent out in small casks like those used for petroleum, and is of yellowish brown colour. The  fumes are exhausted from the buildings by electric fans and are sucked through a great pipe to the north-eastern corner where they are condensed, and the refuse resulting is discharged into a sewer. There is no high chimney, as the boiler furnaces are supplied with air by electric fans. There is a laboratory and in charge of the works is a chief chemist with two assistants and 78 men. All the employees are soldiers, and are attached to the 8th Army Corps.

There is a sanatorium by the works, and under no pretext is any man permitted to leave them. They are guarded as prisoners at their appalling work. The whole story is a startling confirmation of a statement made by one of the American consuls after leaving Germany in February. He said that the Germans were distilling glycerine for nitro-glycerine from the bodies of their death, and thus obtaining some part of their explosives.

Als bron werd het in Engeland gedrukte Belgische blad l ‘Indépendance Belge opgevoerd. Deze haalde het artikel uit de Berliner Lokal-Anzeiger van 10 april 1917 aan maar dat handelde echter over het verwerken van dierlijke kadavers en niet over gesneuvelde soldaten!

Het oorspronkelijk 59-woorden tellende artikel van de hand van Karl Rosner ging over gesneuvelde paarden en ezels (in het Duits als ‘Kadaver’ omschreven) die in ‘Kadaververwertungsanstalten’ van de ‘DAVG-Deutsche Abfall-Verwertungs Geselschafft’ werden verwerkt. Dat het opzettelijk verdraaid weergegeven en puur misleidende bericht bewust als propaganda’tool’ ingezet werd was (niet alleen) voor de Engelse auteur (en voorstander van de ‘One World’ gedachte, waarover verder in dit boek méér) Maximilian August Mügge overduidelijk. In zijn in 1920 bij de Londense uitgeverij George Routledge & Sons Ltd. uitgebrachte oorlogsdagboek ‘The war diary of a square peg’ vermeld hij op 19 april 1917

In to-day’s Times I read with great delight the following account of German Cannibalism. What I do like about it is the unanimity of The Times and The Evening News; the brilliant idea of Alfred E. Turner to “spread the account of this atrocity as a propaganda in every portion of the Empire, especially in India”; and the wonderful readiness to lend himself to such propaganda on the part of a trained Diplomatist.”

Niets anders als haatzaaiende leugens! De vele honderdduizenden gesneuvelde Duitse soldaten werden (voorzover mogelijk) net als hun geallieerde lotgenoten  op een ordentelijke manier begraven. De Times en de Daily Mail later gevolgd door diverse andere geallieerde bladen als The Grey River Argus uit Nieuw Zeeland (editie van dinsdag 17 april 1917, pagina 3, 4e kolom) en The Argus uit Melbourne, Australië (editie vrijdag 15 juni 1917, pagina 7, 9e kolom) zaaiden bewust verwarring door het Duitse woord ‘Kadaver’ foutief te vertalen voor ‘Cadaver’, in Engels medisch taalgebruik de aanduiding voor een lijk, oftewel ‘Corpse’.

De publicatie lokte een discussie uit onder de minder goedgelovige lezers die er terecht op wezen dat ‘Leichnam’ het correcte Duitse woord voor een menselijk lijk inhield. De ingezonden brieven zorgden echter niet voor rectificaties, de propagandistische waarde van het artikel was te groot en werd dit tot ongekende hoogte uitgespeeld en uitgebuit. “No horror in this war of horrors has excited such universal indignation as the announcement that factories have been established in Germany for extracting oils, fats and pig-food from the bodies of German soldiers killed on the battlefield. When the statement was first made most people refused to believe it.”

Als extra ‘bewijs’ werd zelfs de tekst van een gefingeerde personeelsadvertentie aangehaald die op 18 november 1916 in de ‘Chemische Zeitung’ gestaan zou hebben waarin gevraagd werd naar een “engineer, free from military obligations” voor de “factory for the destruction of dead bodies” in Eckbolsheim in de buurt van Strassburg. De verwachte en uitgelokte reacties bleven uiteraard niet uit. De Chinese ambassadeur reageerde in de ‘Evening News’ van 19 april 1917

I was much horrified; I could scarcely believe such a thing possible. In China we have a very special respect and reverence for the dead. There, any desecration of graves, any disturbance of the bodies of those who have gone to their last rest, is a very grave crime”.

In een reactie in The Times deed de Maharajah van Bikaner er nog een schepje bovenop “This atrocity will never be forgotten or forgiven in India, where, without exception of race or caste, great reverence is paid to the mortal remains of the dead. I can speak not only for the Rajputs, or the Hindus, of which great people they form a part, but for every race and community in India, when I say that nothing can exceed the sense of horror and detestation with which this latest crime of Germany against mankind will be regarded in every part of India.”

Het zou één van de meest geslaagde, effectieve en succesvolle propaganda-acties van de ‘Grote Oorlog’ worden die de haat tegen alles wat Duits was tot ongekende hoogte opgezweept werd. In het door Harold Owen op 25 april 1917 in de ‘Evening News’ geplaatste artikel kwam dit pijnlijk duidelijk tot uitdrukking

Do I hate the Germans? I hope so, for my soul’s sake, I hope so, if it is my only title to Heaven. Unless the cannibalistic Hun is defeated to the physical level of his own moral degradation, unless he is vanquished beyond any hope of recovery as a menace, unless he is left to find his own redemption through suffering and impotence, there is no hope for mankind on earth.”.

Haat en nog eens haat!!

Een smerige oorlogverlengende leugen waarvoor nóóit bewijs geleverd werd of één ooggetuige gevonden kon worden. Ongeruste achterblijvers klampten hun regering aan, bezorgd als ze waren dat een eventueel gesneuveld familielid in de Duitse vernietigingsovens terecht zou komen en als zeepblok of springstof zou eindigen. Dat de ontaarde Duitsers hun eigen dode zonen als grondstof verwerkten was op zich al een ongehoord beestachtige handeling, maar dat ook geallieerde gesneuvelden in het lugubere productieproces terecht kwamen was voor velen een nachtmerrie.

I feel I must mention a piece of psychological propaganda put about by some War Office person, which brought poor comfort to Tommies. The story swept the world and, being gullible, we in the trenches were taken in by it for a while. With slight variations it indicated that the German war industry was in a bad way, and was short of fats for making glycerine. To overcome the shortage a vast secret factory had been erected in the Black Forest, to which the bodies of dead British soldiers were despatched. The bodies, wired together in bundles, were pitchforked on to conveyor belts and moved into the factory for conversion into fats. War artists got busy, and dreadful scenes were depicted and published in Britain. The effect on me at first was despondency. Death was not enough apparently. The idea of finishing up in a stew pot was bloody awful, but as I had so many immediate problems the story soon lost its evil potency for me.” (George Coppard in zijn boek ‘With A Machine Gun to Cambrai’ – 1969)

Op 30 april 1917 liet Lord Robert Cecil namens de Engelse regering diplomatiek en geraffineerd weten geen aanleiding te zien om te twijfelen aan de in het artikel genoemde beschuldigingen, maar zij voelden zich ook niet verplicht de berichten op hun juistheid te onderzoeken.“In view of other actions by German military authorities, there is nothing incredible in the present charge against them. However, the government, had neither the responsibility nor the resources to investigate the allegations.” Een antwoord dat elke onduidelijkheid liet bestaan. Zonder dat hiervoor met zoveel woorden ‘hard’ bewijs overlegbaar is, lijkt directe betrokkenheid van het Amerikaanse CPI (Committee on Public Information) in deze propagandaleugen vrijwel bewezen. Met name Edward Louis Bernays, dé massamanipulator pur-sang, lijkt in deze smerige kadaverleugen naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een belangrijk aandeel gehad te hebben. Enkele ondersteunende bijzonderheden met grote bewijskracht zijn o.a. dagboekaantekeningen van Cynthia Asquith waarover later meer te lezen valt.

Door de oorlogsomstandigheden was de behoefte aan en een geregelde toevoer van o.a. vet, smeer- & consumptieolie groot. De Engelse blokkade leek succesvol, de oppermachtige Navy liet geen enkel schip ongemerkt of ongecontroleerd de Noordzeehavens binnen iets waarvan de Nederlandse burgerbevolking de wrange vruchten plukte. Tóch zou Duitsland jarenlang met toestemming en medeweten van Engeland bevoorraad worden via de Oostzee en Denemarken! Alles wat Duitsland nodig had aan plantaardige en dierlijke oliën en vetten in vloeibare en vaste vorm, oliehoudende zaden en noten zoals als pinda’s, hennep, lijnzaad, sojabonen, etc. Maar ook (kunst)meststof, veevoer, vee, vlees, vis, thee, cacao, koffie, katoen, allerhande levensmiddelen als boter, margarine, spek, eieren, zuivel, maar ook petroleum, ijzererts, bauxiet, zink, koper, nikkel, tin, lood, etc. etc. werd in enorme hoeveelheden aangevoerd. Naast de Scandinavische landen (en dan met name via de Deense haven Kopenhagen) speelden landen als Zwitserland, Italië, Nederland en zelfs België een belangrijke rol in de toelevering van deze goederen. De in hoofdzaak door de machtige Rothschildbanken gecontroleerde Franse, Engelse, Spaanse en Amerikaanse mijnen leverden onbekommerd en volgens afspraak, grote Zwitserse elektriciteitscentrales leverden enorme hoeveelheden elektriciteit.

Denemarken werd het grootste inofficiële doorschuifluik en tussenstation van een door Engeland gecontroleerde en beheerste handel die o.a. via Scandinavische banken met £ 450.000.000,– gefinancierd werd. Denemarken dat met haar direct aan Duitsland gelegen grens een ‘gouden land’ was geworden werd overstroomd met goederen. Tot aan het cruciale oorlogsjaar 1917 steeg de uitvoer naar dit land tot 350% ten opzichte van 1913. Nauwelijks verholen en tegen absurd hoge woekerprijzen werden deze goederen rechtstreeks doorgeleverd aan Duitsland. De Deense uitvoer van paarden steeg in 1915 bijvoorbeeld naar het drievoudige, de aanvoer van plantaardige olie verdubbelde en in Deense stallen vetgemest vee passeerde met dagelijkse hoeveelheden van duizend stuks de Duitse grens. Aan de Deens-Duitse grens werd zelfs een kadaververwerkingsfabriek opgezet voor de levering van glycerine aan Duitsland waarmee ze de grondstof leverde voor nitroglycerine. Door een nieuw ontwikkeld procedé was men er in Duitsland overigens in geslaagd om het zo noodzakelijke glycerine uit suiker te trekken, het zogenaamde ‘Protol-glycerine’.

De onvoorstelbare oorlogshandel was een doorn in het oog van de Engelse militair-attaché voor Scandinavië, admiraal Montagu William Warcop Pete Consett die hierover aan de bel trok. Volgens Consett zorgde deze in zijn ogen clandestiene oorlogshandel voor honderdduizenden doden, Engelse soldaten die aan het front geslacht werden door springstoffen waaraan (Engelse) kooplieden grof verdienden. Lord Robert Cecil, de voor de blokkade verantwoordelijke minister, hield zich Oost-Indisch doof. Volgens Consett werd het Duitsland bewust mogelijk gemaakt de oorlog jaren voort te zetten, iets dat ze zonder deze vorm van vernietigingssubsidie nauwelijks één jaar had kunnen volhouden. Een goede marineblokkade /handelsembargo zou Duitsland in 1915 volgens Consett al op de knieën gekregen hebben. In 1923 zou Consett onder de titel ‘The Triumph of Unarmed Forces (1914-1918)’ over deze ‘banksters’ die geld boven alles stellen een boekje opendoen. De Engelse krantenmangnaat en parlementariër Sir James Henry Dalziel zei over deze ‘banksters’ dat zij zich erop beroemden de overwinning mogelijk gemaakt te hebben. Door de toelevering van goederen tegen absurd hoge prijzen was Duitsland nagenoeg van haar goud(reserves) beroofd en economisch vernietigd.

Om aan de vraag naar glycerine zo goed mogelijk te kunnen voldoen hadden zowel Engeland, Frankrijk als Duitsland fabrieken voor kadaververwerking opgezet. In deze fabrieken werden dierkadavers – voor het grootste deel paarden en ezels afkomstig uit het frontgebied – verwerkt tot olie, vet, zeep, glycerine, lijm en varkensvoer. Met name glycerine was een gewild product dat gebruikt werd voor de productie van het hoogexplosieve TNT. Het Engelse volk werd in campagnes opgeroepen bot en vetresten niet weg te gooien maar in een aparte ‘Bone & Fat Bucket’ te verzamelen voor hergebruik, ‘to save them for munitions’.

Een Engelse kadaverfabriek aan de Franse kust onder commando van Major Ellis (‘King Fat’) was met een totaalopbrengst van 9.000.000 kg glycerine één van de succesvolste toeleveranciers. Het optimaal verwerken van paarden- en ezelkadavers was geen onbekend gebruik naar Engelse begrippen. Baden-Powell, één van de Engelse volkshelden, had enkele jaren daarvoor al een klein staaltje van hergebruik laten zien. In de ‘Boerenoorlog’ (1899-1902) verdedigde kolonel Baden-Powell het door de Afrikaanse Boeren belegerde plaatsje Mahikeng. De 218 dagen durende belegering zorgde voor tekorten op elk mogelijk terrein. Om in leven te blijven werden paarden en muilezels gedood en bleef niets ongebruikt. Manen en staartharen werden voor matrassen en kussens gebruikt, hoeven, huid en beenderen, alles werd gekookt, geprakt en gegeten! Ondanks deze verregaande ‘ausnutzung’ verhongerden er mensen. Met name het 6.000 zielen tellende inheemse Mahikeng Tswanavolk (ook het ‘Baralong’ volk genoemd wat ‘smeden’ betekent) stierf naast het oorlogsgeweld door voedselgebrek.

Cynthia Asquith

Brigade-Generaal John V. Charteris, hoofd van de Engelse inlichtingendienst werd al dan niet terecht als kwade genius achter het ‘Duitse Kadaverfabrieken’-verhaal aangewezen. Tijdens een speech in New York in 1925 moet hij persoonlijk een boekje opengedaan hebben over het ontstaan van deze fabel. Achteraf heeft hij altijd met klem ontkend aan de wieg van deze haatzaaiende leugen gestaan te hebben, wat niet inhoudt dat de Engelse inlichtingendienst géén directe bemoeienis heeft gehad met het misleidingverhaal, integendeel.

Het met het beschuldigende vingertje wijzen naar Charteris was niet anders dan een geregisseerde misleiding om de tracering van deze misselijke haatzaaierij te bemoeilijken. De plannen van deze ‘glycerine propaganda’ die in april 1917 tot een allesverzengende haat leidden stammen al van het begin van de oorlog. De tot nu toe vroegst bekende schriftelijke verslaglegging ervan stamt uit juni 1915, bijna twee jaar daarvoor. Cynthia Mary Evelyn Asquith (geboren Charteris), de schoondochter van de Engelse minister-president Herbert H. Asquith, maakte er op woensdag 16 juni 1915 op pagina 44 van haar dagboek melding van dat Duitsland haar gesneuvelden tot (nitro)glycerine en zeep zou verwerken.

Quite a pleasant dinner. We discussed the rumour that the Germans utilise even their corpses by converting them into glycerine with the by-product of soap. I suggested that Haldane should offer his vast body as raw material to Lloyd George.”

Cynthia Mary Evelyn Charteris trouwde in 1910 met Herbert Asquith, de tweede zoon van ministerpresident Herbert Henry Asquith. Cynthia was parttime journalist voor de Times van de ‘Northcliffe Press’, kreeg grote bekendheid als schrijfster van horror- en SF-verhalen en niet in de laatste plaats voor haar WOI-oorlogsdagboek. In 1968 werden haar aantekeningen onder de titel ‘Diaries 1915-1918’ posthuum uitgegeven. De aantekeningen van Cynthia bewijzen dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de ‘glycerine-campagne’ al in het begin van de oorlog én op hoog niveau ter sprake gebracht werd. Als minister-president was Asquith hiervan op de hoogte en wegens het ongelooflijke karakter ervan is dit mogelijk door hem tijdens een familiediner ter sprake gebracht. Om meerdere redenen zal de schoondochter van de toenmalig machtigste Engelse parlementariër het tafelgesprek in haar dagboekaantekeningen hebben opgenomen.

Aan de ene kant waarschijnlijk omdat het verhaal té bizar was om geloof aan te hechten, ze stak er zelf de draak mee en zag in (Richard) ‘Haldane’ een goede kandidaat vanwege zijn enorme lichaamsmassa. Aan de andere kant bevatte het idiote horrorverhaal mogelijk nieuwe ‘waardevolle inspiratie’ voor door haar nieuw te schrijven gruwelverhalen. In dat laatste opzicht heeft Cynthia Asquith beslist niet te klagen gehad, ze leefde in een voor haar ‘ideale’ tijdsperiode en kon door familiebanden tot in de hoogste regionen putten uit de meest barbaarse gruwelijkheden die mensen elkaar kunnen aandoen. Gezien de manier van implanteren, de introductie en de verdere ontwikkelingen van de ‘glycerine propaganda’ mag meer dan alleen maar vermoed worden dat dit gedragen en geregisseerd werd door de Engelse en Amerikaanse geheime dienst(en) en welbewust ‘vastgeplakt’ werd aan het verhaal van de Berliner Lokal-Anzeiger.

Met name Bernays speelde achter de schermen al ver voor de openlijke Amerikaanse deelname zijn smerige manipulatiespel en gezien de verdere ontwikkelingen is hij – alles overziend – een van de meest waarschijnlijke initiators achter deze ‘glycerine propaganda’. In maart 1917 verscheen in de ‘North China Herald’, een Engelstalig blad in Sjanghai, een reportage die handelde over het door Duitsland uit dode soldaten winnen van glycerine: “extracting glycerine out of dead soldiers.” Latere onderzoekers van deze mythe zoals James Hayward stellen ‘Wellington House’, het ‘War Propaganda Bureau’ (WPB), onder controle van C.F.G. Masterman verantwoordelijk voor het verspreiden van deze (voortijdige?) reportage. Masterman was een intieme vriend van Winston Churchill, iets dat door enkelen ook omschreven werd als een “almost unnaturally close friendship”, én aanhanger van het ‘Christelijk Socialisme’ dat o.a. ook door de Amerikaan Edward Bellamy werd aangehangen.

In 1913 waren de plannen al opgevat om de Engelse publieke opinie te manipuleren door het opzetten van een geheime propagandabureau dat in 1914 gevestigd werd in Londen in het ‘Wellington House’. Het propagandabureau viel rechtstreeks onder het ministerie van Buitenlandse Zaken en was zo geheim dat de meeste parlementsleden niet op de hoogte waren van haar bestaan. Doel was om naast de Engelse ook de Amerikaanse publieke opinie te winnen. Charles Frederick Gurney (C.F.G.) Masterman, schrijver en uitgever van de ‘Daily News’ werd door vrijmetselaar en minister van Buitenlandse Zaken Lord Edward Grey als uitvoerend hoofd van deze organisatie geplaatst met Lord Rothmere als politiek verbindingsman.

De schrijver Arnold Toynbee (later op hoog niveau betrokken bij de Royal Institute of International Affairs – R.I.I.A.) en de Amerikaanse journalisten Walter Lippmann en Edward Louis Bernays werden ook bij dit project betrokken. De laatste twee hadden o.a. als taak de Amerikaanse publieke opinie te manipuleren en het Amerikaanse volk voor te bereiden op deelname aan de oorlog. Lippmann en Bernays maakten later onderdeel uit van het Amerikaanse ‘Creel Committee’ dat rechtstreeks in verbinding stond met de Amerikaanse president Woodrow Wilson.

De financiering van het Engelse propagandabureau kwam voor rekening van de familie Saksen-Coburg-Gotha (zoals het Engelse koningshuis tot 1917 officieel heette), door de Rothschildbankiers en de Rockefellers. Het ‘Wellington House’ zou een geraffineerde massamanipulerende organisatie worden dat ná de oorlog in 1921 zou evolueren in het ‘Tavistock Institute of Human Relations’. Dit instituut zou zich later verder specialiseren in o.a. massamanipulatie, hersenspoelmethoden, gedragsbeïnvloeding, psychologische oorlogvoering, etc. waarover later iets meer.

De schrijvers Herbert George Wells en Arthur Conan Doyle waren twee uit een select groepje toonaangevende schrijvers die direct betrokken waren bij de meer dan 1.160 propagandapublicaties die het ‘Wellington House’ uitgebracht heeft. Masterman rekruteerde ook een grote groep illustratoren en kunstenaars zoals de Nederlandse illustrator Louis Raemaekers, de Engelse kubistische schilder Christopher Richard Wynne Nevinson en de Amerikaanse portretschilder John Singer Sargent.

Het WPB erkende de grote invloed en waarde van de fotografie en stelde twee officieren aan die het exclusieve fotografeerrecht aan het Westelijk front kregen. Het fotomateriaal moest aan de gestelde WPB eisen voldoen, Masterman ‘was aware that the right sort of pictures would help the war effort’. Beunhazen die meenden ook leuke frontplaatjes te kunnen schieten eindigden voor het vuurpeloton. “As the intention of General Routine Order No.1137 appears in some cases to be misunderstood, it is notified that no Officer or soldier (or other person subject to Military law) is permitted to be in possession of a camera.” Een van de vroege wapenfeiten van het WPB was de publicatie op 12 mei 1915 van het “Report of the Committee on Alleged German Outrages”, ook wel het al eerder genoemde hatelijke ‘Bryce-rapport’ genoemd. In dat rapport dat opgesteld was onder voorzitterschap van de voormalige Engelse ambassadeur in Amerika, Lord James Bryce, werden de vele honderden door Duitse soldaten in België begane misdaden breed uitgemeten, voorzien van pakkende illustraties van de hand van illustrator Raemaekers, ‘the famous Dutch artist Louis Raemaekers was asked to make some drawings that would create high emotion among the British public. The artist never actually went to Belgium’.

Het zogenoemde Bryce-rapport waarin Emile Francqui en consorten zo’n bepalend aandeel gehad hebben is door latere historici bestempeld als een voorbeeld bij uitstek van leugenachtige oorlogspropaganda “prime example of untruthful war propaganda” en één van de ergst begane oorlogsmisdaden “in itself one of the worst atrocities of the war.””

In 1916 zou door minister-president Lloyd George een nieuw ministerie gevormd worden in de steeds verder uitbreidende propagandaoorlog. In het ‘Crew House’ kreeg het ‘Department of Enemy Propaganda’ onderdak met aan het hoofd Lord Northcliffe, de man achter de ‘Northcliffe Press’ die later in de oorlog de scepter zwaaide over de Engelse propaganda. In januari 1917 was het ‘Wellington House’ uit zijn jasje gegroeid met 54 vaste medewerkers die hun giftige propaganda zonden aan o.a. ruim 260.000 afnemers (media, politici, etc.) in Amerika. Lloyd George benoemde John Buchan (later Lord Tweedsmuir of Canada) tot hoofd van dit nieuw gevormde ‘Departement of Information’ onder het ministerie van Buitenlandse Zaken waar het ‘Wellington House’ rechtstreeks onder viel.

Ook Lord Northcliffe kreeg hierin een belangrijke taak en eind 1917 was het resultaat een ‘ministerie van morele munitie’ van behoorlijke omvang: “the imaginative department, the fiction department, the body which dresses up the facts for presentment to the public, a most important function, and one leaving scope for individual imagination.” De in april 1917 door de ‘Northcliffe-Press’ gelanceerde ‘glycerine-campagne’ was hier een onderdeel van en werd ondersteund door een alles suggererende prent van de hand van de Nederlandse topillustrator Louis Raemaekers.

Het Engelse blad Punch drukte in 1917 een illustratie van zijn hand af waarin een gesloten zwarte goederenwagon te zien is met daarop in wit krijtopschrift de woorden ‘von Lüttich – Aachen’ (Van Luik naar Aken). Een witte substantie lekte vanonder de gesloten deur via de onderliggende treeplank op de spoorrails en het daaronder liggende grint – “leaking Body fats”.

De tekening moest een Duitse treinwagon voorstellen die volgens een bericht in ‘een Berlijns nieuwsblad’ oorspronkelijk naar Luik (Lüttich) getransporteerd had moeten worden maar per abuis in Nederland terecht gekomen zou zijn. De lading zou uit dode Duitse soldaten bestaan hebben die een tweede leven als blokken zeep toebedeeld was zoals weer door ‘een Belgisch nieuwsblad’ verkondigd zou zijn. De tekening deed uitstekend zijn geest vergiftigende werk.

A Berlin newspaper had indeed reported the discovery in Holland of a railway carriage loaded with dead German soldiers. The train had been destined for Liège but had been diverted to Holland by mistake. A Belgian newspaper had picked up the story, claiming that the bodies were destined for soap bars.”

Louis Raemaekers

Louis Raemaekers was de zoon van een oorspronkelijk uit Duitsland afkomstige krantenuitgever, had een Duitse moeder en bezat een unieke en beeldende tekenstijl. Louis was een goed karikaturist en liet zich al vroeg in de oorlog zien als een partijdige, anti-Duits, politiek tekenaar en was o.a. verbonden aan het dagblad de ‘Telegraaf’. Zijn uiterst giftige en suggestieve tekenpen was een welkom wapen in de geallieerde propagandastrijd. In december 1915 organiseerde de ‘Fine Arts Society’ in Londen een veel bezochte tentoonstelling waarop de getekende haatpropaganda van Raemaekers te bewonderen was. Diezelfde maand tekende hij een contract met de ‘Northcliffe-Press’ waarna zijn tekeningen o.a. geplaatst werden in bladen zoals de Daily Mailen de Times. Twee maanden later, in februari 1916, verhuisde hij naar Engeland.

Zijn tekenwerk werd door het WPB massaal voor propagandadoeleinden ingezet, frontsoldaten kregen kleine prentenalbums mee met getekende Duitse gruweldaden en de door hem getekende affiches, briefkaarten en albums werden wereldwijd verspreid. Het leverde Raemaekers grote geallieerde waardering op, hij werd ontvangen aan het Engelse hof, door de Engelse premier en de Franse president Raymond Poincaré. Ook het ‘CPI’, het Amerikaanse Propaganda Ministerie, wist het werk van Raemaekers op waarde te schatten. Raemaekers wist in zijn tekeningen de Duitse soldaten op een uitmuntende wijze als barbaren weer te geven. Eén van zijn vele illustraties laat een grote harige aap zien die Duitsland moet voorstellen die twee jonge weerloze blanke vrouwen vernietigd. Een gordel om zijn middel met daarop het Duitse oorlogsmotto Gott Mit Uns moest de Teutoonse goddeloze beestachtigheid onderstrepen.

Dit motto was een cynisch bedoelde parodie op ‘Gott Strafe England’, een door Ernst Lissauer geschreven en tegen Engeland gericht ‘Haatgedicht’. Lissauer, een uit Berlijn afkomstige jood die zich in de loop van WOI ontwikkelde als een uitmuntend propagandist, schreef dit hatelijke product in opdracht van de bevelhebber van het zesde leger, prins Rupprecht von Bayern. Deze liet het op pamfletten drukken en onder zijn eigen manschappen verspreiden waarna zich binnen het Duitse leger de semiofficiële groet ‘Gott Strafe England’ ontwikkelde die beantwoord werd met ‘Er Strafe es’. De tegenstander voorstellen als harige aap en monsterlijk ondier was overigens niet uniek en werd vooraf en nadien veel gebruikt, zoals bijvoorbeeld in de ‘Amerikaans-Spaanse oorlog’ van 1898. Van de hand van illustrator Grant Hamilton verscheen op 7 september 1898 de Spaanse tegenstander in druk als een bloeddorstige harige aap, “The Spanish Brute”

Eén andere invloedrijke tekening van de hand van Raemaekers was die van een gekruisigde Canadese soldaat en is een voorbeeld van één van de vele andere oorlogsmythen waarmee de geest van de burgers en frontsoldaten vergiftigd werd. Om de grote waardering voor zijn oorlogsbijdrage te onderstrepen werd hij in 1917 persoonlijk door Woodrow Wilson, de Amerikaanse president, ontvangen. Ook oud-president Theodore Roosevelt had grote bewondering voor de pakkende en beeldende karikaturen van Raemaekers en noemde ze ‘de krachtigste bijdragen van de neutralen aan het doel van beschaving in de wereldoorlog’. De Amerikaanse media noemden hem ‘the world’s most famous cartoonist’; zijn werk verscheen in oktober 1917 dagelijks in meer dan 2.000 Amerikaanse kranten met gezamenlijk meer dan 250.000.000 lezers.

Anders dan tekst zijn het juist de afbeeldingen die de menselijke geest zo onmeetbaar beïnvloeden. Woorden moeten door het brein nog worden ‘verbeeld’ tot afbeeldingen, wat met illustratie’s, foto’s of filmbeelden niet het geval is, waardoor ze veel directer en effectiever zijn. Het spreekwoord luidt dan ook niet voor niets ‘één beeld zegt méér dan duizend woorden’. Dat Amerika deelnam aan de oorlog wordt voor een niet onbelangrijk deel aan zijn onmiskenbaar tekentalent toegeschreven. Newton D. Baker, de Amerikaanse minister van Oorlog, verwoordde het in 1918 als volgt “Deze oorlog is niet alleen met het zwaard gewonnen, maar ook met de pen.” Uit erkenning voor zijn grote bijdrage in de beïnvloeding van de Amerikaanse publieke opinie verleende de universiteit van Glasgow hem in 1922 een eredoctoraat. Niet alle artiesten kozen er als Raemaekers voor hun talent in te zetten om de oorlogsgoden te wekken met haatopwekkende illustraties, een enkele ‘uitverkorene’ verzette zich met behulp van zijn vaardigheden tegen de oorlogswaanzin. Eén van hen was de Engelse artiest C.R.W. Nevinson, gerekruteerd door het WPB. Naarmate de oorlog vorderde werden zijn illustraties kritischer en waren ze niet meer automatisch bruikbaar voor propagandadoeleinden. Een van zijn bekendste illustraties is het in 1917 geschilderde ‘Paths of Glory’ dat niet door de militaire censuur kwam. Het liet twee gesneuvelde Engelse soldaten zien, langzaam verrottend en eenwordend met de modderige slagvelden waar ze achtergelaten waren. Ook de Amerikaanse portretschilder John Singer Sargent gebruikte zijn talent tégen de waanzin zoals zijn in 1918 vervaardigde werk ‘Gassed’. Het schilderij liet een groep door mosterdgas getroffen en verblinde soldaten zien die elkaar vasthoudend een weg zoeken uit het slagveld. Onnodig te zeggen dat Nevinson en Singer Sargent niet hetzelfde voor hun werk oogstten als Raemaekers.

De Engelse inlichtingendienst speelde bij de introductie van de ‘glycerine propaganda’ een grote rol. Schrijver en filmproducent Ivor Goldsmid Samuel Montagu noteerde in zijn autobiografie de uitlatingen van majoor Hugh Pollard, een toenmalige inlichtingenofficier. Deze kreeg de lachers op zijn hand toen hij tijdens een van zijn bezoeken aan de familie Montagu vertelde how his department had launched the account of the German corpse factories and how the Hun was using the wyriads of trench-war casualties for making soap and margarine.” Montagu noteerde dat Pollard nogal plezier schiep in het vertellen, vooral toen hij het relaas aanvulde met het verhaal van de zeep die met militaire eer begraven werd the tears ran down his cheeks as he told us of the story they had circulated of a consignment of soap from Germany arriving in Holland and being buried with full militairy honours.”    Linguïst en racist Hugh Bertie Campbell Pollard zou zich tot zijn dood binnen de inlichtingendienst verdienstelijk maken. Hij behartigde de ‘Engelse’ MI6/SOE (Special Operations Executive) belangen en was betrokken bij revoluties in Mexico, Marokko en Ierland. Naar zijn eigen uitlatingen uit 1922 te oordelen scheen hij de Ierse bevolking te haten “the Irish problem is a problem of the Irish race, and it is rooted in the racial characteristics of the people themselves”, iets wat met name te maken scheen te hebben met de Ierse wens naar zelfbeschikking (Home-Rule): “the Irish demand for an independent Irish Republic is… a purely hysterical manifestation.” Voor Pollard zou dat verraad zijn aan het Empire.

Het ‘glycerine-verhaal’ was niets anders dan een smerig broodje aap verhaal met als enige bedoeling de tegenstanders te Barbariseren, een haatcampagne met verstrekkende gevolgen. De misleiding eindigde niet met de oorlog maar werd bewust doorgezet om verwarring te bevorderen en tracering te bemoeilijken, misleiding in optima forma!

Brigade-Generaal John V. Charteris, hoofd van de Engelse inlichtingendienst die hierin zéker een belangrijke rol gespeeld heeft, kreeg de exclusiviteit van het geheel toegeschoven. Tijdens een speech in de ‘National Arts Club’ in New York op 2 november 1925 deed hij een boekje open over het ontstaan van deze misleidende propaganda. De daarbij aanwezige journalist van The New York Times zorgde ervoor dat haar lezers daarvan op de hoogte gebracht werden. Charteris zou beschreven hebben hoe in zijn opdracht het onderschrift bij twee verschillende foto’s verwisseld werd. De ene foto liet Duitse gesneuvelde soldaten zien, op weg om begraven te worden, de andere een treinlading omgekomen paarden die op weg was naar een destructiebedrijf achter het front.

De taalverwarring was een warme en welkome bijkomstigheid. Om het effect ervan te vergroten was er even sprake van het creëren van aanvullend ‘bewijs’ in dat in de vorm van een vervalst dagboek dat in de zakken van een gesneuvelde Duitse militair ‘gevonden’ zou moeten worden. In dat dagboek zou de eigenaar zijn gruwelijke ervaringen in de lijkenfabrieken beschrijven en zijn walging uitspreken over het tot vleesmassa verwerken en uitkoken van zijn dode kameraden en gesneuvelde tegenstanders. Het plan werd uiteindelijk afgeschoten omdat de kans bestond dat fouten in het dagboek het verhaal over de ‘Kadaverfabrieken’ zou ondermijnen waardoor niet alleen dát maar ook andere gelanceerde propaganda ongeloofwaardig zou kunnen raken. Het dagboek kreeg vervolgens een plaatsje in het Londense War Museum.

Het idee om een lijk in de strijd te werpen om de tegenstanders op het verkeerde been te zetten was toentertijd niet nieuw en zou zeker ook niet voor het laatst gebruikt worden. In het opvolgende deel van de 31-jarige oorlog kwam het lijkenverhaal weer uit de kast en werd het deze keer wél ingezet onder de niet bepaald fijngevoelig gekozen codenaam ‘Operatie Gehaktbal’ – ‘Operation Mincemeat’. In het voorjaar van 1943 spoelde het lijk van een Engels topmilitair aan op de kust van het neutrale Spanje, majoor William Martin van de ‘Royal Marines’. Majoor Martin was het slachtoffer van een vliegtuigongeluk en was in het bezit van enkele hoogst geheime geallieerde invasieplannen op de kust van Sardinië. De Spaanse autoriteiten speelden de gevoelige informatie door aan de Duitse Abwehr die op haar beurt het Duitse opperbevel op de hoogte bracht met als resultaat dat men zich voorbereidde op een op handen zijnde invasie. In werkelijkheid werd ze het slachtoffer van een Engelse militaire mis-leidingsoperatie. Het opgeviste lijk met de vervalste documenten was in werkelijkheid dat van Glyndwr Michael dat door ‘HMS Seraph’ voor de Spaanse kust in het water was gedropt. Glyndwr Michael was een 34-jarige aan alcohol verslaafde zelfmoordenaar waaromheen de Engelse geheime dienst een verhaal gefantaseerd had.

Het ‘dagboek van een dode’ verhaal waarvan gedacht werd dat dit uit de koker van Charteris kwam was hiervan een voorloper. Na publicatie in de The New York Times ontkende Charteris echter e.e.a. in zijn speech gezegd te hebben. De publicatie van 2 november 1925 werd een maand later gevolgd door de uitlatingen van Sir Austen Chamberlain die op 2 december 1925 namens het Engelse Parlement bekend maakte dat men niet over bewijzen beschikte die het bestaan van zulke ‘mensverwerkingsfabrieken’ rechtvaardigden. Chamberlain sloot zijn rede af met de wens dat hij er op vertrouwde dat het dodelijk vervalste rapport geen nieuw leven ingeblazen zou worden: “I trust that this false report will not again be revived.” In 1928 deed Arthur Augustus William Harry Ponsonby, 1st Baron Ponsonby of Shulbrede een definitieve duit in het zakje met de publicatie van zijn boek ‘Falshood in Wartime, propaganda lies of the first World War’.

Arthur Ponsonby

Hierin veegde de in Windsor Castle geboren zoon van de voormalige privésecretaris van Queen Victoria finaal de vloer aan met deze mensmisleidende ‘zeperd’ en tal van andere Engelse en Duitse oorlogsleugens. In de ‘Tweede Helft’ dook de haatopwekkende zeepmythe opnieuw op en dat keer waren het niet de Duitse gesneuvelden die in het gruwelijke sprookje als grondstof dienden. Een geheim Amerikaans rapport uit 1941 maakte melding van “a human soap factory” in de west-Poolse plaats Turek waar voornamelijk Poolse priesters, onderwijzers en Joodse burgers tot zeep verwerkt zouden worden. Ze gooiden hen in “large pots and melted off grease to make soap.” Dat Turek van oudsher bekend stond om de diverse (Joodse) olieperserijen en zeepziederijen zal aan de geloofwaardigheid van het leugenverhaal zeker hebben bijgedragen.

Het zeepverhaal kreeg op 26 november 1942 op grote schaal aandacht nadat Rabbi Stephen S. Wise – het toenmalige hoofd van het ‘World Jewish Congress’ in een artikel in de New York Times beweerde dat Duitsland specifiek de lichamen van Joodse slachtoffers “processed into such war-vital commodities as soap, fats and fertilizer.” Als in de Eerste Wereldoorlog werden de burgers opnieuw opgeroepen vetresten en gebruikte bak- en braadolie te verzamelen en in te leveren voor het produceren van explosieven. In 1943 publiceerde de ‘War Publication Board’ o.a. een pamflet voor de Amerikaanse huisvrouw met de dringende oproep ‘Save Your Waste Fats to Make Explosive’ en ze de ware Amerikaanse patriotten opriep “to contribute their waste fats to make glycerine, which in turn could be used to make explosives”.

Behalve voor explosieven zouden de vetresten net als een oorlog eerder als grondstof dienen om de haatopwekkende ‘zeepmythe’ te laten herbeleven. Net zoals in de ‘Eerste Helft’ zou het gruwelsprookje niet stoppen met het eindigen van de oorlogshandelingen van de ‘Tweede Helft’ en bleef het menselijk brein vergiftigen. Het was niemand minder dan Siemon Wiesenthal (Szymon Wizenthal) die deze vuile zeepstory opnieuw en prominent in de aandacht zou brengen. In 1946 maakte hij in het Weense blad ‘Der Neue Weg’ melding van een begrafenis op 1 april dat jaar van een kist vol zeepstukken, gemaakt van Joodse slachtoffers waaronder enkele van zijn vrienden en familieleden op de Joodse begraafplaats in Radauti(*), provincie Suceava, Noord-Roemenië. Op de gedenksteen die direct naast de hoofdingang van de begraafplaats staat is te lezen “Hier rust het zeep dat in Duitse kampen gemaakt is van het vet van dode mensen” (*andere bronnen spreken van de plaats Falticeni als plaats in dezelfde provincie waar de zeepstukken begraven zouden zijn).

Vijfendertig jaar later zou een artikel van de hand van Deborah Lipstadt, professor voor moderne Joodse geschiedenis, aan deze herhaalde haatpropaganda een einde (proberen te) maken. In een artikel in de Los Angeles Times van 16 mei 1981 schreef zij The fact is that the Nazis never used the bodies of Jews, or for that matter anyone else, for the production of soap. The soap rumor was prevalent both during and after the war. It may have had its origin in the cadaver factory atrocity story that came out of World War I.”Volgens Lipstadt kon er wat haar betreft geen twijfel over bestaan the soap rumor was thoroughly investigated after the war and proved to be untrue.”Ondanks de duidelijke weerlegging door deze gerenommeerde historica werd de zeepmythe hardnekkig overeind gehouden, o.a. door de New Yorkse Rabbi Arthur Schneier.

Tijdens een door hem gehouden speech in Washington in april 1983 vertelde hij zijn luisteraars “We remember the bars of soap with the initials RJF – Rein jüdisches Fett – made from the bodies of our loved ones.” Zeven jaar later, op 25 april 1990, verschenen perspublicaties in diverse bladen in o.a. Engeland, Canada en Amerika waaronder in The Daily Telegraph, The Globe and Mail en Chicago Tribune, waarin opnieuw met kracht de zeepmythe ‘om zeep’ geholpen werd.

In deze publicatie onderschreef Shumel Krakowski, hoofd van het archief van het Yad Vashem museum in Jeruzalem that soap was not made from human fat” waarin hij gesteund werd door Israëlische historicus, professor Yehuda Bauer die bevestigde dat there is no evidence that Nazi Germany used corpses for soap.”

Om deze zeepbel voor eens en altijd te elimineren droeg ook het befaamde United States Holocaust Memorial Museum (USHMM) in Washington DC haar steentje bij For those who ask, the Holocaust museum distributes a fact sheet saying the story that Nazis used corpses for soap is a rumor that has never been substantiated.”Desondanks bleef deze mythe hardnekkig doorleven. Op 6 mei 1995 riep de Duitse filmproducent van Joodse afkomst Artur Brauner in de Frankfurter Allgemeine Zeiting de lezers op om toch vooral niet te vergeten dat “aus den ausgemergelten Körpern der Vergasten Seife hergestellt wurde.” Daartegenover schreef de Belgische historicus Gie van den Berghe op 13 september 1995 in De Groene Amsterdammer o.a. dat bewaard gebleven stukken ‘mensenzeep’ in Israël chemisch onderzocht[was, waaruit] bleek dat ze geen menselijke substanties bevatten.”

Maar, als leugens zich éénmaal in het collectieve geheugen vastgezet hebben is het nagenoeg onmogelijk deze blijvend te ontzenuwen. Zelfs als het mogelijk zou zijn om die leugens te ontkrachten met dezelfde inzet en energie als die gebruikt werd om die leugens te (be-)vestigen. Over de zeepmythe schreef Gilad Atzmon op 13 maart 2010 op zijn veelgelezen blog: It took me years to grasp that my great-grandmother wasn’t made into a ‘soap’ or a ‘lampshade’. She probably perished out of exhaustion, typhus or maybe even by mass shooting. During WWII and after it was widely believed that soaps and lampshades were being mass produced from the bodies of Jewish victims. In recent years the Israeli Holocaust museum admitted that there was no truth in any of those accusations.”

Oorlog is Misleiding en Bedrog -Fré Morel, Uitgeverij Papieren Tijger, Breda – 2007 – ISBN 978 906 728 275 8

Oorlogszwendel – USA Generaal S. Butler

De rede van Smedley Darlington Butler, 1933

Smedley Butler

“De oorlog is enkel bedrog. Een bedrog dat volgens mij het best kan worden omschreven als iets waarvan de meerderheid van de mensen denkt dat ‘het’ zo is, maar wat in werkelijkheid enkel oplichterij is. Alleen een klein groepje ingewijden weet waar het in werkelijkheid om draait. Het gaat uiteindelijk alleen om het voordeel van enkelen ten koste van velen.

Ik sta op het standpunt dat wij onze kustlijn [grens] moeten verdedigen en verder niets. Als een andere natie hier komt om te vechten, dan zullen we vechten. Het probleem van Amerika is het probleem van de dollar. Als hier maar 6 procent verdiend wordt, dan wordt de dollar rusteloos en gaat ze overzee om 100 procent te verdienen. De Amerikaanse vlag volgt dan de dollar en de militairen volgen dan de vlag. Ik zou niet opnieuw meer ten oorlog trekken zoals ik gedaan heb om de één of de andere smerige investering van de bankiers te beschermen.

Er zijn slechts twee dingen waarvoor wij zouden moeten vechten. Eén is de verdediging van onze huizen en de andere voor de verdediging van onze rechten. Oorlog om welke andere reden ook is zwendel en bedrog. Er bestaat geen criminele truc die onbekend is binnen het militaire apparaat. Het heeft zijn ‘aanwijzers’ die de vijand aanwijzen, het heeft zijn ‘moordmachines’ om de vijand te vernietigen, de ‘knappe koppen’ om oorlogen voor te bereiden en één grote baas, het super nationalistisch kapitalisme.

Het lijkt vreemd dat ik, een militair, zo’n vergelijking maak. De waarheid dwingt me hier echter toe. Ik bracht drieëndertig jaar en vier maanden van mijn leven door in het meest geharde onderdeel van het machtige leger van de USA, de mariniers. Ik diende in dit korps van tweede luitenant tot Generaal-majoor en gedurende die tijd diende ik het grootste gedeelte de belangen van het Grote Geld, voor Wall Street en voor de Bankiers. Kort gezegd was ik een afperser en gangster voor het kapitalisme. Toentertijd dácht ik nog dat ik mogelijk onderdeel uitmaakte van een misdadige organisatie, nou ben ik er zeker van. Tot het moment dat ik het leger verliet had ik geen enkele eigen gedachte, mijn eigen geestelijke vermogens waren uitgeschakeld terwijl ik de orders van hogerhand opvolgde. Dit is exemplarisch voor iedere militair. De lijst van de georganiseerde misdaad is erg lang.

Ik hielp mee om Mexico, vooral Tampico, veilig te maken voor Amerikaanse oliebelangen in 1914. Ik hielp mee om Haïti en Cuba een veilige plaats te maken voor de mannen van de National City Bank om hun revenuen binnen te kunnen halen. Ik hielp mee om een half dozijn Centraal Amerikaanse Republieken te verkrachten in het belang van Wall Street. Ik hielp mee om Nicaragua te zuiveren voor het internationale bankiershuis van Brown Brothers. Ik hielp mee om in de Dominicaanse Republiek de belangen veilig te stellen voor de Amerikaanse suikerindustrie in 1916. Ik hielp mee om de belangen van Standard Oil in China veilig te stellen. Gedurende al die jaren had ik – zogezegd – ruime ervaring met misdadige praktijken.

Terugkijkend ben ik van mening dat ik Al Capone nog wel wat trucjes had kunnen leren. Het hoogste wat hij bereikte was afpersing en omkoperij in drie districten, ik opereerde op drie continenten.”

Helga Ruebsamen & Vervalste Waarheid

De ‘Nederlands-halfjoodse’ schrijfster Helga Ruebsamen leefde zich zó sterk in in het lot en leven van de Joodse gemeenschap in de Tweede Wereldoorlog dat zij ervan overtuigd was dat zij met haar familie ondergedoken had gezeten. Om deportatie te voorkomen dook de Joodse arts Ruebsamen met zijn gezin onder in ‘het Waterland’ en wisten ze de oorlog te overleven.

In september 1997 verscheen de door Helga geschreven autobiografische roman ‘Het Lied en de Waarheid’ waarin ze uitgebreid haar familiegeschiedenis beschreef. In 2000 was zij te gast in het programma ‘Zomergasten’ van de VPRO televisie waar ze presentator Adriaan van Dis vertelde dat haar vader en zijzelf gedwongen waren onder te duiken.

Na een aantal jaren mengde haar enige broer Rolf zich in het verhaal. Hij ontkende de door Helga opgediste waarheid categorisch. Op zaterdag 1 mei 2005 verklaarde hij in het Haarlems Dagblad dat het verhaal als een pertinente onwaarheid geclassificeerd moest worden. Helga’s vader bleek in werkelijkheid een Duitse vertegenwoordiger van medische apparatuur die dit voor een Duitse firma in Nederlands-Indië aan de man bracht. Hij was niet Joods en het gezin had nooit ondergedoken gezeten. Subthema van ‘Het Lied en de Waarheid’ was – hoe ironisch – de werking van het menselijk geheugen en de onbetrouwbaarheid ervan.

Het boek werd in 1998 bekroond met de ‘Bordewijkprijs’ en in hetzelfde jaar genomineerd voor de ‘Gouden Uil’ en de ‘Libris Literatuur Prijs’, een boek waarvan gezegd werd dat de werkelijkheid en fantasie maar moeilijk van elkaar te scheiden waren”.

Enric Marco – Nep-kampoverlevende

Enric MarcoEnric Marco stond te boek als Nazi-slachtoffer, verzetsheld en overlevende van de Duitse concentratiekampen in de Tweede Wereldoorlog. Hij was hét boegbeeld van de Spaanse vereniging van voormalig gedeporteerden, tot in mei 2005 in het Spaanse dagblad El Païs een artikel verscheen waarin hij ontmaskerd werd als een fantast. Na deze publicatie biechtte hij op nooit in een concentratiekamp te zijn geweest en zijn hele oorlogsverleden, inclusief zijn verzetsdaden en de gruwelen in de concentratiekampen van de nazi’s te hebben verzonnen.

Tegen het Spaanse persbureau ‘Efe’ vertelde hij dat hij niet uit kwaadaardigheid had gehandeld. “Ik dacht dat mensen me meer aandacht zouden geven en dat ik zo beter het lijden van de mensen die in de concentratiekampen zaten voor het voetlicht kon brengen.”