Home » Leugen, list en bedrog (Page 2)

Category Archives: Leugen, list en bedrog

Enric Marco – Nep-kampoverlevende

Enric MarcoEnric Marco stond te boek als Nazi-slachtoffer, verzetsheld en overlevende van de Duitse concentratiekampen in de Tweede Wereldoorlog. Hij was hét boegbeeld van de Spaanse vereniging van voormalig gedeporteerden, tot in mei 2005 in het Spaanse dagblad El Païs een artikel verscheen waarin hij ontmaskerd werd als een fantast. Na deze publicatie biechtte hij op nooit in een concentratiekamp te zijn geweest en zijn hele oorlogsverleden, inclusief zijn verzetsdaden en de gruwelen in de concentratiekampen van de nazi’s te hebben verzonnen.

Tegen het Spaanse persbureau ‘Efe’ vertelde hij dat hij niet uit kwaadaardigheid had gehandeld. “Ik dacht dat mensen me meer aandacht zouden geven en dat ik zo beter het lijden van de mensen die in de concentratiekampen zaten voor het voetlicht kon brengen.”

Herman A. Rosenblat – WOII-fantast

The_Angel_At_The_Fence Het verhaal ‘Angel at the Fence, The True Story of a Love That Survived’ van de oorspronkelijk uit Polen afkomstige Joods Amerikaanse oorlogsoverlevende Herman A. Rosenblat is niets minder dan een fantasievolle vertelling en een fantastisch bedenksel.

Door Fré Morel – Vasthoudend, volhardend met open geest, niet links of rechts, maar VRIJ-denkend

Het autobiografische verhaal van Rosenblat ging over de gebeurtenissen die hij als kampgevangene in een sub-kamp van Buchenwald meemaakte. Een negenjarig meisje gooide dagelijks, zeven maanden lang, appels en brood over het hek waarmee hij zich in leven wist te houden. Als Rosenblat in 1945 te weten komt dat hij de volgende dag vergast gaat worden vraagt hij het meisje niet meer terug te komen en neemt hij voor eeuwig afscheid van haar: “He tells her one day in May 1945 that she should not throw any more apples because at 10 a.m. the next morning he has appointment to appear at the gas chamber to be killed.”

Rosenblat weet uiteindelijk de oorlog te overleven en door een gelukkige samenloop van omstandigheden komen beiden elkaar in de 50er jaren van de vorige eeuw onverwacht opnieuw tegen in New York. Ze besluiten te trouwen en elkaar nooit meer uit het oog te verliezen. Het verhaal werd door Rosenblat op schrift gesteld en kreeg ruim en warm onthaal. Tot twee keer toe deed hij zijn verhaal in het Tv-programma van de Amerikaanse presentatrice Oprah Winfrey. Oprah was tot tranen toe geroerd door het relaas van Rosenblat, het was volgens haar “the single greatest love story, in 22 years of doing this show, we’ve ever told on the air.” Ook dit zo bewierookte en meeslepende verhaal bleek bij nadere beschouwing niets anders dan een fantasievol leugenverhaal.

Deborah Lipstadt, professor voor moderne Joodse geschiedenis, zou op zondag 2 december 2007 in haar persoonlijke internetblog het verhaal van Rosenblat afdoen als een onmogelijk verzinsel. Rosenblat had zijn verhaal ondertussen voor veel geld verkocht aan ‘Penguin Berkley Press’ en een kinderversie ervan, bewerkt door Laurie Friedman uit Miami,  verscheen in september 2008 onder de titel ‘Angel Girl’. Nadat in de loop van 2008 meerdere onderzoekers het verhaal nauwkeuriger tegen het licht hielden haalde hij op 27 december 2008 noodgedwongen bakzeil.

Hij gaf toe dat het verhaal een eigen creatie was waarin hij zelf was gaan geloven “It was my imagination, and in my mind, I believed it. Even now, I believe it.” Diezelfde maand besloot ‘Penguin Berkley Press’ de geplande uitgave te schrappen maar daarmee was het verhaal nog niet van de baan. In 2009 verscheen het door Penelope J. Holt bewerkte manuscript als ‘The Apple’. In datzelfde jaar bracht uitgeverij BBNC uit Rotterdam het boek onder de titel ‘De engel op mijn schouder’ op de Nederlandse markt.

Misha DeFonseca – het gruwelijke sprookje!

SurvivingHet verhaal van Misha DeFonseca is een schoolvoorbeeld van vervalst en gecreëerd bewustzijn dat mede veroorzaakt werd door de trauma’s die oorlogen achterlaten in mensen. Het was lente 1941 toen de Duitsers de ouders van Misha DeFonseca oppakten en uit België deporteerden.

De 7-jarige Joodse Misha besloot haar ouders op te sporen en trok er in haar eentje op uit. Ze reisde moederziel alleen en midden in de winter duizenden kilometers in het door oorlog geteisterde en getekende Europa. Ze trok door bossen en velden, stak rivieren en bergen over en zwierf door Duitsland, Polen en de Oekraïne. Ze slaagde er wonderwel in het Joodse getto in Warschau in en uit te komen in haar speurtocht naar haar vermiste ouders. De kleuter wist op miraculeuze wijze levensbedreigende situaties te vermijden maar ontkwam er niet aan een volwassen Duitse soldaat dood te steken. Ze was de Gestapo te slim af en wist zo aan de Holocaust te ontkomen.

Beschermd door twee wolven – die ze mama Rita en papa Ita noemde – en de rest van de roedel kwam ze met behulp van een klein kompas weer terug naar België. Met behulp van het Rode Kruis werd ze bij ‘Nonkel Jean’ gebracht en wist ze de oorlog te overleven. In april 1997 kwam haar levensverhaal voor het eerst in boekvorm uit. Met behulp van ‘ghostwriter’ Vera Lee schreef ze haar biografie: ‘MISHA, a Memoire of the Holocaust Years’ uitgebracht door de kleine uitgeverij ‘Mt. Ivy Press’. Het boek werd geen kassucces, in Amerika werden slechts 5.000 exemplaren verkocht.

Misha DeFonseca en Vera Lee stelden de uitgeverij hiervoor verantwoordelijk, volgens hen had de uitgeverij het boek onvoldoende gepromoot. Ze eisten het copyright terug en vorderden financiële genoegdoening. In 1998 werd Jane Daniel van ‘Mt. Ivy Press’ door beiden aangeklaagd en veroordeelde de rechtbank de uitgeverij in 2001 uiteindelijk tot het betalen van in totaal $ 33.000.000,– schadevergoeding. Onder de titel ‘Surviving with wolves’ – ‘Survivre avec les Loups’ werd haar biografie in de opvolgende jaren in meer dan 18 talen gepubliceerd en haar levensverhaal zelfs verfilmd. ‘Survivre avec les Loups’ werd ook de titel van de door de Frans-Joodse filmproducente Véra Belmont geproduceerde film die in begin 2008 in Franse en Belgische bioscopen gedraaid werd. Het verhaal nam een bijzondere wending toen kanttekeningen geplaatst werden bij het wel erg fantastische verhaal en dat was precies wat het was: fantasie!

Op 29 februari 2008 kwam het hoge woord eruit. Misha liet weten het hele verhaal volledig uit haar grote duim te hebben gezogen. Het verhaal “Is not the true reality, but it is my reality. There are times when I find it difficult to differentiate between reality and my inner world.” (Het is niet de werkelijke realiteit is maar mijn eigen realiteit. Er zijn ogenblikken waarin het voor mij moeilijk te onderscheiden is wat werkelijk gebeurd is en wat zich enkel in mijn binnenste universum afgespeeld heeft) “Ik vraag vergeving aan iedereen die zich verraden voelt. Ik smeek u uzelf in mijn positie te verplaatsen, de positie van een 4-jaar oud hulpeloos meisje.”

Misha DeFonseca bleek in werkelijkheid de op 2 september 1937 in het Belgische Etterbeek geboren Monique Ernestine Josephine De Wael te zijn, dochter van gemeenteambtenaar Robert De Wael en Joséphine Donvil en was ze geenszins van Joodse afkomst. Gedurende de oorlog zat het meiske gewoon op de lagere school in Etterbeek, had ze geen speurtocht ondernomen door half Europa en was ook het wolvenverhaal enkel in haar fantasie waarheid. Ze voelde zich getekend door de oorlog en door de daden van haar vader, ze voelde het gewicht van de woorden “the traitor’s daughter” – de dochter van een verrader. Haar ouders bleken niet in de lente van 1941 gedeporteerd – iets wat op zich al bijzonder zou zijn aangezien de deportaties in België pas in de zomer van 1942 begonnen.

Marc Metdepenningen, een Belgische onderzoeksjournalist, bracht aan het licht dat Robert de Wael een oorlogsvrijwilliger was, een bij het Belgische verzet bekend staande verrader die zijn kameraden uitleverde aan de Gestapo. Robert de Wael werd niet naar een vernietigingskamp gebracht maar bracht samen met zijn vrouw zijn leven door in Duitsland waar hij een natuurlijke dood stierf. Zijn naam – die eerst abusievelijk op een monument vermeld was – werd na het bekend worden van zijn werkelijke verdiensten daar vanaf gebeiteld.

Halabja een (ander) Giftig Gas verhaal

HalabjaOp 16 maart 1988 werd het aan de oostelijke Irakese grens gelegen dorp Halabja getroffen door een gifgasaanval waar volgens de berichtgeving 5.000 Koerden het leven lieten, mannen,  vrouwen, kinderen en ouderen. Door Irak de verantwoordelijkheid van deze misdaad toe te schrijven werd de invasie van Irak gelegitimeerd.

Door Fré Morel – Vasthoudend, volhardend met open geest, niet links of rechts, maar VRIJ-denkend

Het was voor Amerika en Engeland één van de doorslaggevende argumenten om Irak binnen te vallen en het moorddadige & terroristische regime van dictator Saddam Hoessein te verdrijven.

Al vrij snel werden vraagtekens bij de ‘waarheid’ van deze aanval geplaatst. Op 23 maart 1988 publiceerde de Amerikaanse ‘Defense Intelligence Agency’ (DIA) dat “Most of the casualties in Halabjah were reportedly caused by cyangen chloride. This agent has never been used by Iraq, but Iran has shown interest in it. Mustard gas casualties in the town were probably caused by Iraqi weapons because Iran has never been noted using that agent.” Professor Dr. Stephen Pelletiere, specialist op het gebied van ‘National Security Affairs’ bevestigde deze conclusie in zijn op 10 december 1990 gepubliceerd rapport dat door hem in opdracht van het Pentagon werd opgesteld.

Hierin kwam hij tot de conclusie dat niet Irak maar Iran de aanval had uitgevoerd en dat het aantal slachtoffers beduidend lager lag dan werd gemeld. Blood agents were allegedly responsible for the most infamous use of chemicals in the war – the killing of Kurds at Halabjah. Since the Iraqis have no history of using these two agents – and the Iranians do – we conclude that the Iranians perpetrated this attack. It is also worth noting that lethal concentrations of cyanogen are difficult to obtain over an area target, thus the reports of 5,000 Kurds dead in Halabjah are suspect.”

In de New York Times van 24 januari 2003 werd aandacht gevraagd voor een eigen studie van het Pentagon waarin aangetoond werd dat de vergassing van de Koerden in Halabja het werk was van Iraniërs, en niet van Irakezen.” Voorafgaand aan de gifgasaanval had de Iranese Revolutionaire Garde (Pasdaran) in samenwerking met de Koerdische guerillas (Peshmergas) een offensief gestart tegen het Irakese leger, en in de nacht van 15 maart 1988 Halabja ingenomen. Volgens Jean Pascal Zanders van het Stockholm International Peace Research Institute had Iran daarmee het strategisch geplande doel bereikt, de controle van het nabij liggende Darbandikhan meer en de bijbehorende dam. Een groot deel van de watertoevoer naar Bagdad was hiermee in handen van de aanvallers gekomen.

De verwachte Irakese tegenaanval vond de volgende ochtend plaats door middel van een artilleriebeschieting en luchtaanvallen. In de gevechten die daarvan weer het resultaat waren voerde de Iranese luchtmacht aanvallen uit met hydrogen cyanide (HCN) munitie  op de burgers, in de veronderstelling te maken te hebben met Irakese grondtroepen.

 

The Picture That Fooled The World

Hoe de oorlog in Joegoslavië gemaakt werd

Trnopolje  2

In het begin van de jaren ’90 van de vorige eeuw begonnen Bosnische Islamitische fundamentalisten zich te roeren en explodeerde het eeuwenoude kruitvat van de Balkan opnieuw. Wie achter de schermen de verantwoordelijkheid droeg voor het opstoken van het oorlogsvuur werd niet duidelijk. Wél duidelijk werd dat degenen die er (economisch en politiek) wél bij varen óók een belangrijke rol bij de aanstichting toe te kennen valt. Het zorgde ervoor dat de (Bosnische) Islamitische en (Servische) Christelijke bevolkingsgroepen steeds vijandiger tegenover elkaar kwamen te staan met als resultaat een bloedige Balkanoorlog.

Fré Morel – Vasthoudend, volhardend met open geest, niet links of rechts, maar VRIJ-denkend

Zoals in elke oorlog werden over en weer wreedheden begaan en al gauw staken geruchten de kop op dat in Servische concentratiekampen Bosnische moslims zouden worden mishandeld en vermoord. Dit was voor de Engelse TV-zender ‘Independent Televison News’ (ITN) aanleiding een filmploeg op locatie te zenden om deze geruchten te onderzoeken. Eind juli vertrok het ITN-team dat bestond uit Penny Marshall, Ian Williams en Jeremy Irvin; ze werden vergezeld door Ed Vulliamy, journalist van het blad ‘The Guardian’. Nadat ze de voorgaande dagen eerst enkele andere locaties bezocht hadden arriveerde het team op 5 augustus 1992 in het Noord-Bosnië gelegen krijgsgevangenkamp Omarska en het vluchtelingenkamp Trnopolje. Tegelijk met het Engelse ITN-team filmde óók de lokale Servische TV-zender ‘Radio Television Serbia’ (RTS) die dag op de beide locaties.

Op zoek naar ‘pakkende’ beelden en vast besloten de ‘wereld’ dé bewijzen te presenteren van vermeende concentratiekampen besloot het ITN-team zoveel als mogelijk de ‘waarheid’ een handje te helpen. Op het terrein van het vluchtelingenkamp Trnopolje stond een boerenschuur in een met kippengaas en prikkeldraad omheind gedeelte waar onder andere kruiwagens en landbouwgereedschap werd opgeborgen. Via een gat in de omheining kroop het ITN-team (gevolgd door het RTS-team) dóór de omheining en begon vanachter deze omheining opnamen te maken van de menigte die zich daarbuiten nieuwsgierig verzamelde. Door de warmte van de augustuszon hadden verschillende van hen het shirt uitgetrokken en terwijl Penny Marshall een moeizame conversatie onderhield met de slecht Engels sprekende en in blauwe tuinbroek gehulde Mehmet kwam uit de achtergrond de 22-jarige Fikret Aliç lachend naar voren geschuifeld. Fikret, die in zijn jeugd aan tuberculose heeft geleden, had met zijn uitpuilende ribbenkast en ongezonde uiterlijk de perfecte figuur voor het beeld dat het ITN-team zo graag wilde neerzetten, het beeld van een Servisch concentratiekamp!

Als een dag later de suggestieve beelden de wereld overgaan krijgen miljoenen mensen een volledig onterecht en gemanipuleerd beeld van de situatie ter plaatse. De ‘Daily Mirror’ hielp graag aan die misleidende beeldvorming mee en ‘kopte’ op de voorpagina: ‘The picture that shames the World / Belsen-92’ en verwees daarmee direct naar de Duitse concentratiekampen in de Tweede Wereldoorlog. Ook de ‘Daily Mail’ deed een misleidende duit in het zakje en ‘kopte’ niet weinig subtiel: ‘The Proof behind the barbed wire, the brutal truth about the suffering in Bosnia’. Ook ‘TIME-magazine’ plaatste Fikret in kleur op de omslag met daarbij in rood de tekst: ‘MUST IT GO ON?’ Wat niet en nergens vermeld stond was dat niet de vluchtelingen achter het hek stonden, maar het filmteam dat met haar geselecteerde beeldmateriaal heel bewust en leugenachtig de suggestie wilde wekken van in kampen opgesloten gevangenen.

In feite was Trnopolje een open gevangenkamp en was de foto met daarop Fikret Aliç de ‘Picture that fools the world’. Trnopolje was overigens niet het enige gevangenkamp. Volgens opgave van het Internationale Rode Kruis hadden zowel Serven als Moslims en Kroaten gevangenkampen opgezet waar in totaal 25 kampen in het najaar van 1992 gezamenlijk 2.692 mensen gevangen werden gehouden. De Bosnisch-Serviërs hielden in 8 kampen totaal 1.203 mensen gevangen, de Moslims en Kroaten hielden in de overige 17 kampen respectievelijk 1.061 en 428 mensen gevangen.

De ‘Picture that fools the world’ werd in januari en februari 1993 gebruikt in een $ 2.000.000 kostende reclamecampagne van de Franse organisatie ‘Médecins du Monde’, opgericht door de Franse arts Bernard Kouchner. In een oplage van 300.000 stuks werd op een overeenkomstige manier als bij ‘Time-magazine’ de link gelegd naar de Duitse concentratiekampen. Kouchner zou later als speciale afgezant van de Verenigde Naties belast worden met het bestuur van de afgesplitste Servische provincie Kosovo. In 1994 werd door de NBLC Uitgeverij in Den Haag in nauwe samenwerking met het Nationale Comité 4 en 5 mei het boekje ‘De oorlog is nog niet voorbij’ uitgegeven. Deze (jeugd)bloemlezing aan oorlogsverhalen was bedoeld voor de kinderen van groep 7/8 van het basisonderwijs en de brugklassen van het Voortgezet Onderwijs. Op de omslag van deze uitgave was de ‘Picture that fools the world’ afgedrukt, het mismaakte lichaam van Fikret Aliç mocht opnieuw zijn misleidende werk doen.

5 mei manupilatieNa bestudering van de tv-beelden viel het de Duitse ingenieur en journalist Thomas Deichmann uit Frankfurt am Main op dat het prikkeldraad aan de kant van de ‘gevangenen’ bevestigd was, iets dat hem onlogisch voorkwam. Daardoor zou het voor hen maar een kleine moeite zijn om de bevestigingskrammen en het prikkeldraad te verwijderen. Deichmann ging ter plekke op onderzoek uit, sprak met omwonenden en kwam tot de conclusie dat het ITN-team de ‘wereld’ volledig bij de neus genomen had. In 1996 schreef Deichmann hierover in het Duitse blad ‘NOVO’ een artikel dat in 1997 voor het Engelse blad ‘LM’ de aanleiding was de ITN-filmbeelden aan een kritisch onderzoek te onderwerpen. Oók zij kwamen tot de conclusie dat er sprake was van totaal misleidende en gemanipuleerde berichtgeving. “We never suggested that there was barbed wire surrounding the camp” was de reactie van Ian Williams in de rechtszaak die mediareus ITN aanspande tegen de mediadwerg LM. Onnodig te zeggen dat de mediadwerg bezweek onder financiële en juridische druk van de mediareus.

Carla del Ponte: organ trafficking, ‘Christenen’ worden geslacht door ‘Moslims’

Het was in wezen een oud en telkens terugkerend verhaal. Het was de mediamagnaat Hearst die in 1898 journalist Frederic Remington naar het toekomstige oorlogsterrein in Cuba zond met de opdracht “You furnish the pictures while I’ll furnisch the war.” Penny Marshall en consorten zorgden ruim honderd jaar later op hun beurt voor ‘de beelden’ met als resultaat de bloedige inmenging van de ‘vrede-brengende’ bombardementen door de NAVO en Amerika die aan duizenden mensen het leven kostte. Het ITN-team zou daarentegen schitteren door afwezigheid op momenten en situaties waar het wél degelijk melding had kunnen maken van concentratiekampen, het vermoorden van gevangenen en misdaden tegen de menselijkheid. In het noorden van Kosovo en Albanië zouden zij op verschrikkingen hebben kunnen stuiten die de ‘wereld’ vol ontzetting zou vervullen. In concentratiekampen in deze gebieden, o.a. in het Noord-Albanese Kukes, Tropoje en Burrel, werden honderden ontvoerde Serviërs als dieren gevangen gehouden en om hun organen geslacht.

Ponte boek

Niemand minder dan Carla Del Ponte, de voormalig hoofdaanklaagster van het Haagse Joegoslavië Tribunaal – ‘International Criminal Tribunals for the former Yugoslavia’ – uitte zware beschuldigingen tegen Albanese Kosovaren die honderden mensen letterlijk uit winstbejag geslacht zouden hebben. In haar in voorjaar 2008 verschenen boek ‘La Caccia’, io e i criminali di guerra’ – ‘The Hunt: Me and War Criminals’ beschuldigde ze met name Hashim Thaçi, de huidige minister-president van Kosovo (2010), een persoonlijke vriend van Bernard Kouchner. Thaçi zou als aanvoerder van het Kosovo Liberation Army (KLA) volgens een artikel in de ‘New York Times’ zes commandanten van het KLA hebben geëxecuteerd omdat ze hem niet gehoorzaamden, direct betrokken zijn geweest bij de moord op vijf rivalen en volgens Del Ponte direct betrokken zijn bij de mensonterende orgaanhandel samen met een aantal (nú) vooraanstaande Kosovaarse regeringsleden. De van oorlogsmisdaden beschuldigde Thaçi, die eveneens een grote rol gespeeld zou hebben in de lucratieve heroïnesmokkel via Kosovaars grondgebied, zou nooit voor het Haagse tribunaal verschijnen.

De nauwe persoonlijke banden die Thaçi onderhield met invloedrijke vrienden zoals met Benjamin Netanyahu, Ariël Sharon en Madeleine Albright zullen hierin op zijn minst enige beschermingsgarantie geboden hebben. Eén van de voormalige KLA-guerrilla aanvoerders Ramush Haradinaj, werd door Del Ponte beschuldigd betrokken te zijn bij de moord op ontvoerde Serviërs en bij de verkoop van hun organen. Haradinaj werd in staat van beschuldiging gesteld en in 2007 voor het Joegoslavië Tribunaal in Den Haag geleid waar hij in 2008 wegens ‘gebrek aan bewijs’ werd vrijgesproken omdat “alle getuigen zich in de loop van het proces hadden teruggetrokken.” Naar schatting hebben de organenrovers hieraan een bloedgeld overgehouden van ca. € 4.000.000. Onderzoeken naar deze beschuldigingen werden steevast tegengewerkt door de Verenigde Naties Missie in Kosovo (UNMIK) die toentertijd onder voorzitterschap stond van de Franse minister van Buitenlandse Zaken Bernard Kouchner en door de Kosovaarse en Albanese overheidsorganen.

Sima Spasich, één van de mensen die zich bezig houdt met de verdwijning van Serviërs, beschikt over een lijst met daarop 2.000 vermiste personen. Wie deze woorden vol ongeloof leest doet er goed aan te bedenken dat in 2002 de ‘Raad van Europa’ onderzoek heeft gedaan naar het fenomeen orgaantoerisme (‘organ trafficking’) in Europa.

Carla Del Ponte meldt daarover: “Daaruit kwam het bestaan van commerciële netwerken van orgaanhandel aan het licht, met name in de landen Moldavie, Turkije, Oekraine en Israël. Het bestaan van dergelijke illegale praktijken werd mede bevestigd door Europol” – “Deze gevangenen werden in eerste instantie gevangen gehouden in schuren en andere complexen in Kukes en Tropolje… sommige van de jongere en fittere gevangenen stonden onder dokterstoezicht en werden nooit geslagen” – “Ze werden overgebracht naar andere gevangenkampen in Burrel en directe omgeving waaronder barakken achter een geelkleurig gebouw, ca. 20 km buiten de stad.

Moord HuisEén van de kamers in dat gebouw was ingericht als een operatiekamer en het is daar waar chirurgen de organen uit de gevangenen verwijderden. Deze organen werden via het vliegveld van Tirana naar buitenlandse klinieken verzonden waar ze getransplanteerd werden in betalende patiënten” – “Gevangenen waarvan een nier was weggenomen werden voorlopig dichtgenaaid en teruggebracht naar de barak waar ze verbleven tot het moment waarop ze van hun vitale organen werden beroofd en vermoord. Andere gevangenen die zich bewust werden van het lot dat hen ook stond te wachten, smeekten om direct vermoord te worden.”

The Soap Myth

Jewish Victims of the Holocaust

RIF zeep“It’s a general conception that the Nazis manufactured soap,” says Michael Berenbaum, who was project manager for the United States Holocaust Memorial Museum [USHMM] before it opened in 1993 and headed the museum’s research institute until 1997. “But those of us working in this area have not used it as an example [of Nazi atrocity] in the last 10 to 15 years. We don’t have any evidence that the Nazis actually manufactured soap with human bodies.”

When Berenbaum began putting the museum exhibits together, even he believed “it was obviously the case” that the Nazis produced soap from fat. “There was a question as to whether we would use soap in the exhibition,” he says. But after a thorough search, he adds, “I didn’t find any evidence of it.” He says the evidence that would prove it conclusively would include shipping bills, physical evidence from a manufacturing plant, or receipts for economic transactions – none of which has been found.

Aaron Breitbart, a senior researcher at the Simon Wiesenthal Center, agreed that the evidence is thin. “The leading scholars of the Holocaust are of the opinion that the Nazis did not make soap,” he says. “It was a cruel rumor at the camps.”

Andrew Hollinger, a spokesman at the USHMM department of media relations, provided a document written by the museum’s historian that concludes: “Available documentary evidence and eyewitness accounts have been unable to corroborate in a conclusive manner reports that the National Socialists and their collaborators used human fat from their victims in the manufacture of soap.” It goes on to say: “rumors that Germans made soap from human remains originated in French propaganda from the First World War.”

Analysis of the small blue-green cakes of soap that Holocaust survivors have presented over the years, claiming that they were made from human fat. Bars of soap are stamped “R.I.F.,” for Reich Industry Fat, but in the camps some Jews believed that the I was a J and that the acronym stood for “Jewish Fat.” When analyzed, however, the bars turned up no evidence of human DNA.

http://www.jewishvirtuallibrary.org/jsource/Holocaust/soap.html

Smerig Zeepsprookje uit WOI

RIF zeep 2

Na afloop van WOII werden op het Neurenberg Tribunaal Nazi-kopstukken verantwoordelijk gesteld en veroordeeld voor een onvoorstelbare misdaad – Mensenzeep, gemaakt van Joden! Als toppunt van barbarisme en sadisme verstrekten de Nazi’s nota bene deze zeep aan Joodse- en andere Konzentrationslagergefangenen voor de persoonlijke hygiëne.

Het ‘zeepverhaal’ is echter een smerig leugensprookje uit de Eerste Wereldoorlog en afkomstig uit de geallieerde propagandakeuken. Louis Bernays, een volle neef van de vermaarde psychotherapeut Sigismund Freud, stond aan de wieg van deze haatopwekkende leugen. Bernays, een van de kopstukken van het Amerikaanse propagandaministerie CPI, bracht deze gruwelpropaganda ter sprake tijdens overleg met Engelse bewindslieden, waaronder minister-president Herbert Henry Asquith.

Deze maakte het onderdeel van een tafelgesprek in april 1915. Schoondochter (en schrijfster) Cynthia Asquith vond de inspiratie van haar sadistische horrorverhalen in de tafelgesprekken over frontgevechten. 10 maanden na aanvang van de mensenslachting die WOI genoemd werd, op woensdag 16 juni 1915, was dit idiote propagandaverhaal onderdeel van het tafelgesprek. Ze vond het de moeite waard dit in haar dagboekaantekeningen op te nemen. In 1969 – 50 jaar na afloop van WOI en 24 jaar ná afloop van WOII – werd haar dagboek uitgebracht door uitgeverij A.A. Knopf in New York. Op pagina 44 is het voor elk te lezen.

Jodenzeep 1Jodenzeep 2Jodenzeep 3Dat Joden of enig ander religieuze mensensoort ooit als grondstof/glycerine voor zeep gediend hebben mist elke grond van waarheid. De RIF zeep, aan de gevangenen beschikbaar gesteld voor de eigen persoonlijke hygiëne, was gemaakt uit dierlijk vet en botten. Het verhaal van ‘Jodenzeep’ is niets anders dan een smerig sprookje.

 

Voor meer info (Long Read!) –  http://www.bertvanvondel.nl/de-duitse-kadaverfabrieken/

 

Blatante leugenberichtgeving door NOS

Hoe de Nederlandse Omroep Stichting de burgers faliekant en opzettelijk voorliegt over de situatie in de Oekraïne – september 2014

 

De leugen marcheert!

dood

Dinsdag, 4 augustus 1914, 100 jaar geleden, marcheerden Duitse legers over Belgische (én ja, óók Nederlandse) grenzen, de mensenslachting die uiteindelijk als Eerste Wereldoorlog te boek gesteld werd nam haar verschrikkelijke aanvang. De moordaanslag door de Bosnisch-Servische terrorist Gavrilo Princip, gepleegd op de Oostenrijks-Hongaarse troonopvolger Frans Ferdinand, staat sindsdien als officieel startschot vermeld. Pruisisch militarisme, een aan grootheidswaanzin lijdende Duitse keizer en het door Duitsland aan bondgenoot Oostenrijk-Hongarije verlenen van een blanco volmacht werden daarnaast aangewezen als alles verklarende explosieve lonten die het kruitvat lieten exploderen.

Niets is echter wat het lijkt of schijnt te zijn, elke oorlog is per definitie misleiding en bedrog. Een eeuwenlang geraffineerd en steevast terugkerend patroon. De burgers worden onveranderd welbewust en glashard voorgelogen, haat wordt gekweekt met vernietiging van leven, have & goed als resultaat. (Óók) de Eerste Wereldoorlog was een vooropgezette mensenvernietiging. Ter vergroting van economische macht, markt en invloed van een zelfverkozen en niet aan ras of geloof gebonden socio-politieke belangengemeenschap verloren miljoenen wereldburgers hun leven. Oorlogen worden àltijd welbewust gemaakt en ontstaan nooit op de wijze of volgens argumenten die de burgers voorgehouden wordt.

Wie meent antwoorden en helderheid te vinden in de gevestigde geschiedschrijving komt bedrogen uit want het is de overwinnaar die ze laat optekenen. Absolute waarheid is een onmogelijkheid en is de geschiedschrijving die voorgeschoteld wordt in werkelijkheid een opeenstapeling van wettelijk overeengekomen leugens. Waarheid, oprechtheid en werkelijkheid wordt vooruitgesneld door de leugen, ze marcheert duivelsvlug de aardbol rond. De gefantaseerde chemische wapens in Irak, de zogezegde opstand in de Oekraïne, de Israëlische oorlogsmisdaden tegen Palestijnse burgers… de argumenten zijn vals en leugenachtig met haatzaaierij en genocide tot gevolg. Niets is wat het lijkt, wees en blijf alert, wees kritisch, vooral NU, laat u niet voorliegen, burghers let op uw saek, want..

de leugen marcheert! 

Nederlands slavernij verleden?

Tót aan de komst van de Antwerpse kooplieden bestond er in de Noordelijke Nederlanden géén slavenhandel! In 1568 veroverden Spaanse troepen de Zuidelijke Nederlanden en namen de machtige handelsstad- en haven Antwerpen in bezit. Parma, de Spaanse legeraanvoerder, bood de overwegend Joods-Antwerpse kooplieden aan te blijven of anders twee jaar de tijd om hun zaken af te wikkelen waarop veel van hen in eerste instantie naar het toen nog traditioneel katholieke Zeeland trokken. Ze vestigden zich in de plaatsen Vlissingen en Middelburg waar ze nauwgezet de ontwikkelingen richting Antwerpen in de gaten konden houden en elke vorm van economische activiteit maximaal belemmerden.

Een deel van hen vertrok in latere jaren naar Amsterdam (toen ook wel ‘Nieuw Antwerpen’ genoemd) en Rotterdam. Een ander deel vestigde zich als plantage-eigenaar overzee, in Nederlands Guyana, wat nu Suriname heet. Anders dan de Noord Nederlandse kooplieden die van oudsher met de Hanzesteden handelden in hout, graan, zout en haring hielden de nieuw gevestigde Joodse kooplieden zich bezig met de handel in ‘levend ebbenhout’ – de mensenhandel. Tot aan het eind van de 13e eeuw ondervonden ze tegenwerking van de Hanzekooplieden waarna ze zich begonnen te vestigen langs de Noord- en Oostzee en de noordelijke gewesten.

Slavenhandel, bont- en huidenhandel was al van oudsher een marktsegment waarin de Joden, naast Moslims en Turken (Hongaren) vooral betrokken waren. In het rond 885 door ibn Khordadbih geschreven werk ‘The book of the roads and the kingdoms’ valt het een en ander te lezen over deze mensenhandelaren die onder de naam Radhanieten (Radhaniyya) bekend stonden. Deze kooplieden spreken Arabisch, Perzisch, Romaans [Grieks en Latijn], de Frankische taal, Andalusisch [Spaans] en Slavisch. Zij reizen van het westen naar het oosten en van het oosten naar het westen, nu eens over land, dan weer over zee. Zij vervoeren uit het westen eunuchen, vrouwelijke slaven en jongens, zijde, beverhuiden, vachten van marters en andere vachten en zwaarden.” 

De introductie van deze onzalige mensenhandel in de Noordelijke Nederlanden kwam voor rekening van de daarvoor door de Antwerpse kooplieden opgerichte plunder-multinational, de West Indische Compagnie (W.I.C.) die natijd overgenomen werd door de Middelburgse Commercie Compagnie (M.C.C.).

Slavenmarkt Middelburg?

Behalve het verschepen en handelen in mensen en de financiering van deze onmenselijke handel werd door deze handelaren een poging ondernomen om deze handelspraktijken ook  daadwerkelijk in Zeeland te introduceren. In navolging van de slavenmarkt in het Engelse Liverpool én Antwerpen (waar ook met regelmaat menselijke koopwaar werd verhandeld) zou óók in Middelburg een heuse mensenmarkt worden opgezet. In 1596 arriveerde een buitgemaakt Portugees schip in de haven met aan boord o.a. zo’n 100 West-Afrikaanse slaven die men als buitgemaakt goed aan de man wilde brengen. Deze mensonterende vertoning zorgde voor een enorm tumult binnen de katholieke Middelburgse gemeenschap en burgemeester Adriaan Hendriksz Ten Haeff (én later medeoprichter van de V.O.C.) zag zich gedwongen hiertegen te verzetten. In een verklaring in de Vergadering van de Heren Staten van Zeeland liet Ten Heaff weten dat deze mensen niemands eigendom konden zijn en daarom ook niet verkocht konden worden. Daarop lieten de Staten op 15 november 1596 weten dat op de opvolgende zondag van de kansels zou worden verkondigd dat de ‘mooren’ in vrijheid moesten worden gesteld.

 “Sondaege naestcommende, zal in de kercken doen vercondigen, dat de voorschr. Mooren, zo vrouwen, als manspersonen ende kinderen Maendage naestcommende… by den Magistraet van Middelburgh gestelt zullen werden van wegen den Staten van Zeelandt in heure natuerlicke lyberteyt, mette solempniteyt daertoe behoordende..” 


Desondanks ging de mensenhandel van de W.I.C. ongestoord door en stond het gast- c.q. vestigingsland Nederland daardoor (na Denemarken) op de één na laatste plaats. Samen met de Engelse, Franse, Spaanse en Portugese en Arabische slavenhandelaars werden in de jaren ’60 van de achttiende eeuw per jaar zo’n 70.000 slaven verhandeld. Met 9% – zo’n 6.300 slaven per jaar – waren de Zeeuws-Antwerpse handelaren een kleine speler op deze slavenmarkt die voor Nederland volledig in handen was van de W.I.C. Engeland was onbetwistbaar marktleider in dit smerige marktsegment.

Deze wijze van mensenhandel en mensuitbuiting zou honderden jaren aanhouden. Als goedkope werkslaven werden hele generaties over de wereld versleept, over hun ruggen en lijken vergaarde een kleine criminele elite exorbitante en generaties overstijgende en nu nog voortdurende rijkdom. Het waren overigens niet exclusief gekleurde mensen die het ellendige slavenlot ondergingen. Zo verkochten de Engelse machthebbers hun politieke tegenstanders, krijgsgevangenen en katholieke Ieren als slaven aan plantage-eigenaren op de Antillen. Ook uit Franse havens als Dieppe, Le Hâvre, Saint Malo, Brest en La Rochelle vertrokken rond 1650 geregeld blanke mensentransporten – ‘jonge mensen, dikwijls niet meer dan kinderen’ – naar de Antillen.

Los daarvan hadden de Europeanen te maken met Algerijnse piraten die in die tijd de zeeën onveilig maakten. Al meer dan 300 jaar leed West-Europa door de zeeroverij en slavenjachten van de Noord-Afrikanen gevoelige financiële verliezen. Stelselmatig werden Europese handelsschepen overvallen, beroofd van hun lading en werden de bemanningen als slaven verhandeld naar Noord-Afrika. Het waren trouwens niet alleen scheepsbemanningen die te lijden hadden van deze Noord-Afrikaanse rooftochten. De bewoners van de kuststreken van het Europese vasteland waren ook niet veilig voor de slavenhandelaars en met regelmaat werden Italiaanse, Spaanse, Franse en zelfs Engelse kuststreken binnengevallen. Veel inwoners van kustdorpen zouden als slaaf hun verdere leven slijten in Afrika. Zelfs het Ierse Baltimore en het Zuid-Engelse Devon en Cornwall werden in de loop der eeuwen meerdere malen het slachtoffer van deze slavenhandelaars. Vele miljoenen blanke Europeanen vielen zo in handen van mensenrovers die hun levende buit tegen klinkende munt verhandelden op de blanke slavenmarkten van Tripoli, Tunis en Algiers.


Samuel Palache (Pallache) was één van die onzalige en scrupeloze´handelaren´. Deze in de Marokkaanse stad Fez geboren rabbi, koopman en wapenhandelaar was actief als spion, piraat en mensenhandelaar en werd door de Joodse auteur Edward Kritzler de“pirate rabbi” genoemd. Hij was één van de vele Joodse piraten die al sinds Romeinse tijden de kusten rond de Middellandse Zee onveilig maakten. De Grootmeester van de Maltezers verklaarde in 1604 dat drie galeien onder het commando van de piraat Sinan, voorzien van een vlag met een wit vlak met daarop afgebeeld een blauwe 6-puntige ster, nooit gevangenen maakte.

In 1614 rustte Palache een eigen piratenvloot uit die onder Marokkaanse vlag en met Hollandse kaperbrieven de Middellandse Zee onveilig maakte. Zijn eigen schip was aan de boeg voorzien van de afbeelding van een Phoenix, de mythische ‘vuurvogel’ die telkens uit zijn as herboren moet worden om te kunnen voortleven. Samuel Palache was een bijzonder en veelzijdig mens met invloedrijke en machtige connecties. Hij was rabbi van de eerste Portugees Sefardische synagoge in Holland – Neve Salom (Neweh Sjalom) – en stond op goede voet met stadhouder prins Maurits. Hij bemiddelde namens Holland bij de Marokkaanse en Algerijnse vorsten om de in slavernij levende gevangen genomen zeelieden en door Marokkaanse piraten ontvoerde kustbewoners los te kopen tegen wapens en munitie, een lucratieve ruilhandel die pas tegen het einde van de 18e eeuw zou verdwijnen. Deze activiteiten en transacties van Palache leverden hem een gouden ketting, een gouden medaille, zeshonderd guldens, status en eer op. Een en ander wordt vandaag de dag nota-bene gezien als de basis van de al eeuwen durende ‘goede betrekkingen’ tussen Nederland en Marokko!

Welke invloedrijke plaats Palache innam bleek wel uit het feit dat, toen hij op vier februari 1616 uiteindelijk als een berooid man stierf, prins Maurits uit eerbetoon achter zijn lijk-kist aanliep.

Het blanke slavenlot

Een van de weinige bewaard gebleven verslagen is dat van de Engelse dominee Devereux Spratt, die in april 1641 een simpele oversteek dacht te maken over de Ierse Zee naar Engeland, maar eindigde in Algiers, waar hij jaren als blanke slaaf werd vastgehouden.

“Ik nam de boot naar Youghal, scheepte in op het schip van John Filmer, en vertrok samen met 120 andere passagiers. Maar nog voordat we het vasteland uit het oog verloren hadden, werden we geënterd door Algerijnse piraten, die elk van ons in de boeien sloeg. Britse schepen werden vrijwel naar believen geënterd en geplunderd”. 

Ook de Engelse diplomaat Samuel Pepys heeft in zijn dagboek van 8 februari 1661 een levendig verslag bijgehouden van een ontmoeting tussen twee mannen die tot slaaf waren gemaakt.

‘We zaten in de ‘Fleece Tavern’ en doodden onze tijd met praten en drinken tot 4 uur in de morgen, ondertussen verhalen vertellend over Algerije en de wijze waarop slaven werden behandeld. Kapitein Mootham en Dhr. Dawes (die beiden slaaf geweest waren) vertelden uitgebreid over hun ervaringen. Bijvoorbeeld hoe ze enkel water en brood te eten kregen, hoe ze geslagen werden onder hun voetzolen en op hun buik, al naar gelang hun meester beliefde’.

Anderen ontsprongen hun zware lot doordat ze werden ‘vrijgekocht’. Zo slaagde onderwijzer Theodoricus Wildeman uit het Groningse Zeerijp er bijvoorbeeld in om de in slavernij gevoerde zeelieden uit Zeerijp en het naburige gehucht ‘t Zand vrij te kopen van de Algerijnse zeerovers. In 1605 werd de Schiedammer koopman Pieter Maertensz Coy naar Marrakech gezonden om met de sultan te onderhandelen over de vrijlating van Nederlandse slaven. Iets wat door cultuurverschillen niet van een leien dakje ging. Pas in 1608 zou het tot afrondende afspraken komen en tegen levering van geweren, kanonnen en munitie werd het grootste deel van de gekaapte en tot slaaf gemaakte  landgenoten vrijgekocht.

Maria ter Meetelen

De in 1704 in Amsterdam geboren en avontuurlijke Maria ter Meetelen werd eveneens het slachtoffer van deze Noord-Afrikaanse mensenrovers. Maria had in zekere zin overeenkomsten met een andere illustere Nederlandse, ‘Mata-Hari’, die in de ‘Groote Oorlog’ van ’14-’18 onderdeel van de geschiedenis zou gaan worden. Beiden leken ze zoiets als ‘zigeunerbloed’ in hun onrustige aderen te hebben stromen. Op 21-jarige leeftijd liet Maria – verkleed als man – Nederland achter zich en vocht in Spanje samen met Franse huurlingen. Toen ze als vrouw ontmaskerd werd ging ze er vandoor, zwierf wat rond en trouwde uiteindelijk met een Nederlandse scheepskapitein.

Sultan Abdallah van Marocco
Als ze in 1731 onderweg is
naar Nederland overvallen Marokkaanse kapers het schip. Ze kwam terecht in de harem van Sultan Abdullah van Marocco (zie portret) en zou er pas na 12 jaar in slagen het land te verlaten. In 1748 kwamen haar belevenissen in boekvorm uit: “Wonderbaarlyke en merkwaardige gevallen van een twaalfjarige slaverny van een vrouspersoon geneamt Maria ter Meetelen, woonagtig tot Medemblik”. Haar avontuurlijke leven zou dan nog niet voorbij zijn. In 1751 vroeg ze aan het stadsbestuur van Medemblik een ‘bewijs van goed gedrag’ omdat ze plannen had om naar de Kaapkolonie te vertrekken. 

Europese slaven konden overigens een wrede toekomst tegemoet zien. In hoofdzaak werden ze door hun meesters als galeislaaf gehouden, tientallen jaren aan banken en roeiriemen geketend om de galeien voort te bewegen op zoek naar nieuwe buit en slaven. Zwaar werk waaraan duizenden ongelukkigen aan de kettingen stierven of krankzinnig werden. Andere werden als dieren onder erbarmelijke omstandigheden en in grote overbevolkte schuren ondergebracht, kregen elke dag twee stukken donker brood en amper water. Slaven die te oud en minder productief werden, werden – vaak meerdere malen – doorverkocht. De meest onfortuinlijken onder hen werden eenvoudigweg als honden in de woestijn achtergelaten om daar van honger en dorst te sterven.

Afschaffing van de slavernij

Het is een relatief onbekend gegeven dat met name de Nederlandstalige Zuid-Afrikaanse Blanke Boeren voorop liepen in de afschaffing van de slavernij. Samen met de nieuwe regeerders in de Bataafse periode van 1803-1806 werden concrete stappen genomen om zowel de slavenhandel als ook de slavernij af te schaffen! Direct met de komst van Mr. Jacob Abraham Uytenhage de Mist als Nederlandse Commissaris en Jan Willem Janssens als nieuwe gouverneur-generaal werd in 1803 het verbod op het invoeren van slaven ingesteld. Daarnaast zou de slavernij geleidelijk aan worden afgeschaft door elke nieuw geboren slavenkind de wettelijke status van vrije burger toe te kennen. Gelijkheid van rechten en plichten.

Deze revolutionaire koers was niet helemaal naar de wens van de heersende elites en met de vernieuwde Engelse machtsovername in 1806 werd snel een streep gehaald door deze allereerste Republikeins-Nederlandse poging de slavernij af te schaffen. Rond 1800 waren de stemmen om de slavenhandel te staken steeds luider te horen en verrassend genoeg was het vooral Engeland dat zich hiervoor inzette. Het was voor hen zelfs een belangrijk agendapunt en onderdeel van hun eisenpakket in de besprekingen die leidden tot het verdrag van Wenen in 1815. Dat juist Engeland – de slavenhandelaar bij uitstek – zich opwierp als pleitbezorger was niet zo verwonderlijk en had dat een iets andere reden dan edelmoedigheid. Concurrentie en niet medemenselijkheid was het argument dat daarbij speelde.

Engeland had in bloedige campagnes en oorlogen rond 1800 de macht over Noord-Afrika naar zich toe weten te trekken, het traditionele ‘wingebied’ voor slaven. Engeland wilde de absolute economische macht van haar Imperium beschermen door andere (opkomende) concurrerende naties het recht op invoeren van werkkrachten onmogelijk maken en zeker niet het wegroven van werkkrachten uit haar Noord-Afrikaanse gebied toestaan. Zelf had ze in vele jaren van mensenhandel grote volksplantingen weten te realiseren die in voldoende mate voor nakomelingen zorgden zodat nieuwe aanvoer niet noodzakelijk was.

Om op een andere manier in de behoefte van nieuwe werkkrachten te voorzien werden ‘contractarbeiders’ aangeworven, mensen die zelf hun overtocht betaalden en per saldo tegen lagere kosten het werk mochten verrichten. Een praktijk die de Engelse elite op het ‘Suikereiland’ Trinidad al had gebruikt. Nadat het economisch niet meer rendabel was om van de relatief dure slaven (aanschaf, transport, verzorging, onderdak, etc.) gebruik te maken werd daar de slavernij afgeschaft en werden zo’n 150.000 Indiase contractarbeiders naar het eiland gebracht. Deze koelies verrichten tegen lagere beloning zelfs de smerigste karweitjes wat zorgde voor enorme spanningen.

Afkoop van de slavernij


Zoals gezegd had de afschaffing van de slavernij geen humanitaire maar een puur economische achtergrond. Dát was de reden dat op 1 juli 1863 in Suriname met 21 kanonschoten ook daar de afschaffing afgekondigd werd. Na de afschaffing waren de vrijgekochte slaven overigens nog wél 10 jaar verplicht kosteloos voor hun vroegere meesters te werken! De contractarbeiders, (de gastarbeiders van toen!!) mensen die zelf hun overtocht betaalden, mensen die zichzelf importeerden, in hun eigen onderhoud moesten voorzien, namen de plaats in van de dure slaven. Hun lot was eerder slechter dan van de voormalige slaven en moesten ze met minder genoegen nemen dan hun onder dwang geronselde voorgangers. Per saldo leverde de wisseling van de wacht de plantage-eigenaren het hoger rendement, iets waar het hun uiteindelijk dan ook om te doen geweest is!!

De Nederlandse burger – zélf min-of-meer (loon-) slaaf en horige van de heersende elite – betaalde fors mee aan de afschaffing van de slavernij. Per vrijgekochte Surinaamse slaaf vergoedde de Nederlandse overheid – uit de zak van de Nederlandse belastingbetaler wel te verstaan – een bedrag van ettelijke honderden guldens belastinggeld aan de slaveneigenaar/plantagehouder, een bedrag dat vele malen hoger lag dan waarvoor zijn ‘eigendom’ nog in de boeken stond.

Per saldo kan met recht gezegd worden dat het de toenmalige Nederlandse (blanke) burgers geweest zijn die met door hen opgebracht belastinggeld de Surinaamse slaven hebben vrijgekocht. Misschien dat men hier eens bij stil kan staan? Beter nog.. zou het niet eens tijd worden voor een monument ter nagedachtenis van hen die de slaven (van toen) hebben vrijgekocht? De blanke Nederlandse belastingbetalers van toen!

Fré Morel

Geraadpleegde bronnen:

De Nederlandse slavenhandel – 1500-1850, P.C. Emmer, Uitg. De Arbeiderspers, Amsterdam, 2000
Slavenhalers en Slavenhandel, L.C. Vrijman, Uitg. P.N. v. Kampen & Zn., Amsterdam, 1943
Binnen zonder kloppen, P. Lakeman, Uitg. Meulenhoff, Amsterdam, 1999
The Grandees, Stephen Birmingham, Harper & Row Publishers, New York, 1971
De Ondergang van Napoleon, Adam Zamoyski, uitgeverij Balans, 2007
Van Oranje Stadhouders tot IJzeren Kanselier, F. Morel, 2007
Oorlog is Misleiding en Bedrog, F. Morel, 2012
De herkomst van de asjkenazische joden: de controverse opgelost, J. van Straten, 2009
http://www.tenhaaf.info/genealogy/Genealogy_eng/familytree_body.ht
http://www.elsevier.nl/nieuws/politiek/artikel/asp/artnr/205506/rss/true/index.html
http://www.dbnl.org/tekst/busk001land02_01/busk001land02_01_0120.htm
http://www.kb.nl/dossiers/slavernij/slavernij.html