Home » Geschied-en-is (Page 2)

Category Archives: Geschied-en-is

Het Joods Nationaal Tehuis van Mussert

Op 7 mei 1945 werd NSB-leider Anton Mussert in zijn kantoor aan de Vijverberg in de Haag gearresteerd. Precies een jaar later, op 7 mei 1946, werd hij op de Waalsdorpervlakte geëxecuteerd. Tijdens zijn gevangenschap liet hij zich ontvallen dat het lot der Joodse Nederlanders heel anders geweest zou zijn als men toch maar naar hem had geluisterd. Als men het door hem opgestelde plan had aangenomen, had dat mogelijkerwijze tienduizenden joodse mensenlevens kunnen redden, aldus zijn stelling. Wat hield deze in?

Op 14 november 1938, vijf dagen na de kristallnacht in Duitsland van 9 november, lanceerde NSB-fractieleider d’ Assembourg officieel het plan voor de vorming van een Joods Nationaal Tehuis, het zogenoemde Guyana-Plan. In de volksmond kreeg het de naam Plan Mussert mee en was het door Mussert zelf geïnitieerd, dit tegen het advies in van zijn Politieke Raad. Volgens dit plan moesten de Nederlandse, Franse en Engelse Guyana’s worden samengevoegd tot een 1.500.000 vierkante kilometer groot land, waar alle Joden uit Europa naar toe zouden kunnen verhuizen. Later dat jaar zou Mussert hierover in de nationaal socialistische krant Volk & Vaderland een artikel publiceren. Het plan werd later in het Engels uitgebracht onder de titel “The United States of Guiana; the Jewish national home.” Mussert had zich in deze dan ook laten inspireren door de Britten die al vóór 1938 met de gedachte speelden om joodse immigranten door te geleiden naar Engels Guyana.

Het Nederlandse parlement zat met het NSB-voorstel behoorlijk in haar maag, niet in de laatste plaats door de achter de schermen vermoedde Joods-Zionistische bemoeienis en liet het voorstel voorlopig onbeantwoord. De op gang gekomen vluchtelingenstroom uit Duitsland baarde de Nederlandse regering wel zorgen en om deze te reguleren nam ze op 15 december 1938 maatregelen om illegale en ongecontroleerde grensoverschrijding tegen te gaan. Met een aanpassing in de wet werd in het voorjaar van 1939 alle politieke organisaties in het Rijk (zoals de NSB, die zich nadrukkelijk als organisatie en niet als politieke partij affilieerde) verboden buitenlandse lidmaten in haar geledingen te hebben. Op die wijze probeerde men invloedrijke Joodse NSB-ers elke politieke invloed op de Nederlandse politiek te ontzeggen.

Men richtte haar beleid vooralsnog op de opvang van Joodse vluchtelingen binnen Nederland en dat in een centraal vluchtelingenkamp. Op 19 februari 1939 besloot men tot de oprichting van één Centraal Vluchtelingenkamp in Nederland. Het was vorstin Wilhelmina die bepaalde dat het opvangkamp niet in haar achtertuin opgetrokken mocht gaan worden zoals gepland, maar op het Drentse platteland in de nabijheid van de plaats Westerbork. In augustus 1939 begonnen arbeiders in de werkverschaffing met de bouw van het kamp. Als dan op 1 september 1939 Duitse troepen de grens met Polen oversteken en twee dagen later, op 3 september 1939, Engeland en Frankrijk aan Duitsland de oorlog verklaren verdwijnt het Plan Mussert naar de achtergrond. Door de wereldontwikkelingen wordt het niet meer behandeld en pas na in januari 1946 wordt het weer in de aandacht gebracht. Het in 1937 opgerichte Freeland League for Jewish Territorial Colonization pikt het NSB-plan weer op en vroeg in februari 1946 een onderhoud aan met de Nederlandse minister-president Wim Schermerhorn. In maart 1946 vond dat overleg plaats en toog men vol enthousiasme aan de slag om te komen tot een Joods Nationaal Tehuis zoals door Anton Mussert voorgesteld.

In januari 1947 diende J.C. Brons, de gouverneur van Suriname, een voorstel van de Freeland League in bij de Staten van Suriname die het voorstel op 14 februari aannamen. In juni 1947 stemden de Staten van Suriname met 7 tegen 5 in met het voorstel. Echter, de oprichting van een Joods Nationaal Tehuis in Suriname zou de realisatie van een Zionistische staat in Palestina in gevaar brengen en stuitte op fel verzet in Surinaamse Zionistische kringen. Met het uitroepen van de staat Israël op 14 mei 1948 verdween het Guyana-plan van Anton Mussert finaal van de aardbodem.

De Lusitania-medaille: Misleiding & Bedrog

Op vrijdag 7 mei 1915 wordt ’s middags om tien over drie de Engelse hulpkruiser Lusitania getorpedeerd door de Duitse onderzeeër U-20. De afgevuurde torpedo zorgde ervoor dat het 45.000 ton zware schip binnen 18 minuten naar de bodem zonk. Ruim 1.200 burgers kwamen om het leven. Ook de in Amsterdam geboren en met de Nederlandse musicus Philip Abas getrouwde Beatrice Landesman, zij verdronk samen met haar twee dochters, de 6-jarige Isabel en 2-jarige Beatrice.

In haar ruimen vervoerde het als passagiersschip aangeduide schip in het geheim Amerikaans wapentuig waar Engeland zo om stond te springen, zoals de 5.000 stuks 3 inch granaten verstopt tussen 90.000 kilo boter, kaas en spek, geleverd door de Bethlehem Steel Company. Daarnaast duizenden ontstekingsmechanismen geproduceerd door de Amerikaanse wapenindustrie en de door Remington Small Arms Co. geleverde 4.3 miljoen patronen .303 geweermunitie. Daarmee was (niet alleen) het voorste vrachtruim volgeladen met alles waaraan het Engelse leger zo dringend nodig had aan het front.

Als protest tegen het zinloze moorden en oorlogshandel van de hypocriete oorlogsbankiers ontwierp de in München woonachtige kunstenaar Karl Goetz in augustus 1915 een sarcastisch bedoelde herinneringsmedaille die hij in een kleine kring verkocht. De satirisch bedoelde medaille had echter een storende fout, Goetz had de datum foutief vermeld: 5 mei 1915.

Eén van deze eerste medailles kwam in Engelse handen die haar gebruikten voor hun oorlogsleugenmachine en werden ze in grote aantallen in Engeland en Amerika gekopieerd. In doos met oorkonde te koop voor vijftig dollarcent per stuk of 12 voor 3 dollar. Een geslagen bewijs ter herinnering aan het moorddadige Duitsland en de door dat smerige rijk begane moord op hulpeloze vrouwen en kinderen. Bij het kopiëren van de medaille maakten de geallieerde kopiisten echter (eveneens) een storende fout. Op de geallieerde kopie was de maand mei in het Engels aangegeven. Er stond MAY in plaats van het Duitse MAI. Goetz en de geallieerde vervalsers produceerden daarop een verbeterde versie waarop de datum en de maand wel goed stond: 7 MAI 1915.

Voorzijde:

De zinkende Lusitania met aan dek duidelijk herkenbare oorlogs-spullen, kanonnen, vliegtuigen etc. Met bovenaan de vermelding Keine Bann Ware (geen ban-goederen = geen verboden goederen) met onderop de tekst: Der Grossdampfer Lusitania durch ein Deutsches tauchboot versenkt (het stoomschip Lusitania door een duitse onderzeër tot zinken gebracht) en daaronder de eerste – foutieve – datum van 5 mei 1915

Achterzijde:

Een skelet die de dood moet voorstellen verkoopt de kaarten aan het Cunard Line loket. Bovenaan de medaille staat te lezen: Geschaft über alles (handel gaat boven alles). Links staat een man de krant te lezen waarop in het Duits U-Boot Gefahr (gevaar voor U-boten) te lezen staat terwijl achter hem de figuur van de Duitse ambassadeur graaf Johann-Heinrich von Bernstorff (met hoge hoed) te zien is die waarschuwend zijn rechter vinger omhoog houdt, herinnerend aan de waarschuwende advertentie die Duitsland geplaatst had in de Amerikaanse kranten.

Marokkaanse bevrijders WO2 mythe

In de Tweede Wereldoorlog hebben Marokkanen meegevochten in Zeeland, zo luidt het verhaal, en ze zijn daar begraven. Dat laatste klopt. Het eerste niet. Jaarlijks worden ze herdacht op de Franse militaire begraafplaats in het Zeeuwse Kapelle: honderden soldaten die het in mei 1940 opnamen bij gevechten in Zuid- Beveland en Walcheren tegen de Duitsers. Steun van Nederlandse soldaten hadden ze niet want die waren er vandoor.

Behalve de namen van gesneuvelde Fransen kom je er Marokkaanse namen tegen. Ook zij, zo gaat het verhaal, vochten in Zeeland mee tegen de Duitsers. “Sprookje,” zegt onderzoeker Jan Hey uit Hengelo.

(Bron: HP de Tijd – 2004)

Hey is de deskundige bij uitstek als het gaat om geallieerde militairen die in de Tweede Wereldoorlog op Nederlandse bodem zijn gesneuveld. In het begin van de jaren tachtig kwam hij in het bezit van het archief van het Rode Kruis. Alle toenmalige duizend Nederlandse gemeenten gaven plichtsgetrouw de buitenlandse slachtoffers door aan het Rode Kruis. Later verfijnde hij het systeem, zegt hij, en vergissingen zijn nagenoeg uitgesloten. Zeker, op het Franse militaire kerkhof in Kapelle zijn Marokkaanse militairen begraven, zegt Hey. Maar niet omdat ze daar hebben gevochten. “Ze zijn verdronken bij de evacuatie van de geallieerden bij Duinkerken. Ik vermoed dat het schip waarop ze zaten, is getorpedeerd.”

Waar de mythe van die Marokkaanse soldaten in Franse dienst precies vandaan komt, is moeilijk te achterhalen. Duidelijk is wel dat een belangrijke rol is weggelegd voor de 54-jarige Marokkaanse opbouwwerker Mohamed Achahboun. Hij woont sinds 1970 in ons land en is vanaf 1989 als adviseur bewonersaangelegenheden in dienst van Stichting BOOG in Den Haag.

Achahboun is gebiologeerd door de krijgsverrichtingen van zijn landgenoten in de Tweede Wereldoorlog. Twee jaar geleden – op zaterdag 3 mei 2003 – hield hij een lezing in de Laurenskerk in Rotterdam in het kader van het thema Marokkanen in de Tweede Wereldoorlog, georganiseerd door het Landelijk Bureau ter Bestrijding van Rassendiscriminatie. Achahboun beweerde bij die gelegenheid bewijzen in handen te hebben dat de in Kapelle begraven Marokkaanse soldaten in de meidagen van 1940 in Kapelle en omgeving tegen Duitse SS-eenheden hadden gestreden. Tientallen Marokkaanse soldaten zouden bij de felle gevechten zijn gesneuveld. Een aantal zou op de Franse militaire begraafplaats liggen; daarnaast zouden 63 Marokkanen in massagraven zijn ondergebracht. De mythe, die in Marokkaanse kringen al de ronde deed, kreeg nu het predicaat echt gebeurd.

Het verhaal verspreidde zich razendsnel. Vorig jaar greep het Amsterdamse stadsdeel De Baarsjes de vermeende heldenrol van de Marokkanen aan om hun jonge landgenoten op het goede pad te brengen, na de beschamende taferelen tijdens de dodenherdenking in 2003 in Amsterdam. Toen ging na afloop een groepje jongens voetballen met kransen en bloemstukken. Enrico Bartens, die zichzelf een ras-Amsterdammer noemt, schreef in het boekje Mo ’40-’45 dat de voorvaderen een felle strijd hebben geleverd tegen de Duitsers. In het kader van hun opvoeding zou vorig jaar een bus met Marokkaanse jongeren naar Kapelle afreizen om de jaarlijkse herdenking bij te wonen. In Kapelle zijn die echter niet gesignaleerd. Wel woonde het PvdA-Kamerlid Khadija Arib de herdenking bij, samen met enkele landgenoten.

De Rijksvoorlichtingsdienst vergrootte de spraakverwarring door een persbericht de wereld in te sturen waarin de rol van de Marokkanen in de schijnwerpers werd gezet. Dat was weer tegen het zere been van de Franse ambassade, die vond dat alle media-aandacht ten onrechte uitging naar de Marokkanen in plaats van naar de Franse soldaten van wie wel onomstotelijk vaststaat dat ze zijn omgekomen bij de gevechten in Zeeland.

Voor verwarring zorgde een jaar geleden ook een interview in Elsevier met de inmiddels 84-jarige Moughit ben Daoud, die drie jaar geleden de dodenherdenking in Kapelle bijwoonde. In Elsevier zei de gewezen veteraan dat hij als sergeant deel uitmaakte van het Franse leger dat naar Zeeland was gestuurd om de Duitse opmars te stuiten. Bij gevechten in Zuid-Beveland zouden meer dan honderd Marokkaanse soldaten in Franse dienst om het leven zijn gekomen. Daoud ontsnapte door in de Westerschelde te springen. Ze zouden urenlang hebben gezwommen tot ze door een Nederlander werden opgevangen. Na een paar dagen te zijn ondergedoken, zouden ze lopend naar Frankrijk zijn teruggekeerd.

Mohamed Achahboun, nu: “Die man zuigt dat toch niet uit zijn duim?! Ik vind het heel kwalijk dat hij voor fantast wordt uitgemaakt. Elsevier is een alom gerespecteerd weekblad, dat zich niet kan permitteren om verzinsels af te drukken.”

Archivaris Frank de Klerk van de gemeente Kapelle viel echter bijna van verbazing van zijn stoel toen hij het verhaal onder ogen kreeg. “Het komt me erg ongeloofwaardig over. In mei is het zeewater nog erg koud. Hou kun je in die omstandigheden dan uren in de Westerschelde zwemmen? Na een paar minuten ben je al onderkoeld. Maar ik denk niet dat er sprake was van opzet. Naar ik heb begrepen, heeft Daoud in heel Europa gevochten. Zoveel jaar na dato is het moeilijk om precies te weten waar je overal bent geweest.”

Ook onderzoeker Jan Hey kan het artikel niet plaatsen. Tijdens zijn navorsingen ontdekte hij dat het Zevende Leger vrijwel uitsluitend uit Fransen bestond. “Ze waren ook wat ouder dan gemiddeld. Velen hadden nog in de Eerste Wereldoorlog gevochten.” Hij is geen Marokkaanse namen tegengekomen. “Ik vind het onbegrijpelijk dat het relaas van die Marokkaanse sergeant voor zoete koek is aangenomen. Het verhaal klopt voor geen meter.”

Ook militair-historicus dr. Jan Schulten gelooft niet dat in Zeeland Marokkanen hebben gevochten. Op verzoek van de burgemeester van Kapelle, oud-militair Siebe Kramer, verdiepte hij zich in de vraag wat zich in de meidagen van 1940 precies op Zeeuwse bodem heeft afgespeeld. Schulten heeft slechts één Marokkaan kunnen traceren die bij oorlogshandelingen op Nederlandse bodem het leven heeft gelaten: een parachutist, die in 1945 bij Franse luchtlandingen in Drenthe is gesneuveld. De andere achttien in Kapelle begraven Marokkanen zijn, denkt Schulten, verdronken bij de evacuatie van de Brits/Franse troepenmacht bij Duinkerken, van 26 mei tot 4 juni 1940; de Marokkanen zijn pas in juni en juli aan de Hollandse kust en bij Terschelling, Vlieland en Schiermonnikoog aangespoeld.

Jan Schulten: “Theoretisch is het denkbaar dat die aangespoelde Marokkaanse soldaten in Zeeland hebben gevochten. Van degenen die zich uit Zeeland hebben teruggetrokken, is waarschijnlijk een aantal in Duinkerken aangekomen. Bij de verscheping zouden ze dan kunnen zijn verdronken. Maar dat is heel onwaarschijnlijk. Het ligt meer voor de hand dat de verdronken Marokkanen tot de ingesloten Franse eenheden behoorden die naar Engeland zouden worden overgebracht. En dat geeft weer voedsel aan het verwijt van Franse kant dat de Britten in de eerste boten mochten vertrekken en dat de Franse soldaten pas aan het eind van de evacuatie aan de beurt waren, en dat ze waren aangewezen op gammele bootjes.”

Achahboun blijft volhouden dat het verhaal over zijn landgenoten uit betrouwbare bronnen komt. Inmiddels overleden Kapellenaren zouden hem hebben bezworen dat ze Marokkaanse soldaten naar hun laatste rustplaats hebben gebracht en hen hebben begraven volgens islamitisch gebruik.

Intussen kan men er bij de gemeente Kapelle geen touw meer aan vastknopen. Samen met de Franse ambassade tekent de gemeente voor de jaarlijkse herdenking van de Franse slachtoffers. Bij die gelegenheid staan nabestaanden stil bij de dood van hun geliefden. Ook worden er kransen gelegd. Decennialang was dat een strikt Franse aangelegenheid. Zes jaar geleden stonden er ineens drie bussen met Marokkanen op de stoep. Een student van Marokkaanse afkomst aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda zou zijn landgenoten op het spoor hebben gezet. Twee jaar geleden was de inbreng van de Marokkanen opnieuw voorpaginanieuws toen Achahboun de zaak aankaartte. Alle media stortten zich vervolgens op de Marokkaanse inbreng bij de verdediging van ons land en rukten uit om de jaarlijkse dodenherdenking in Kapelle te verslaan.

Dit jaar (2018) zal de herdenking plaatsvinden op dinsdag 17 mei. Op die dag is het precies 65 jaar geleden dat de Franse brigadegeneraal Marcel Deslaurens op de kade van Vlissingen werd doodgeschoten. Met een aantal soldaten dekte hij de aftocht van Franse eenheden die zich lieten verschepen naar Zeeuws-Vlaanderen. Vlak voordat hij als laatste aan boord zou gaan, werd hij dodelijk getroffen door een Duitse kogel.

Wie dit jaar de herdenking zullen bijwonen, is nog onduidelijk. Burgemeester Kramer: “Het is niet eenvoudig om met de Marokkaanse gemeenschap afspraken te maken. Soms komen ze onaangekondigd met bussen vol naar Kapelle, een andere keer zeggen ze de herdenking bij te willen wonen maar laten ze het vervolgens afweten. Je kunt er geen peil op trekken.”

Van Speyk de lucht in

De bescheiden Nederlandse vloot mengde zich in de Noord-Zuid schermutselingen en op 5 februari 1831 dreef één van de Noord-Nederlandse kanonneerboten door hevige windvlagen naar de oever van de Schelde. Hij kwam vast te zitten ten noorden van het fort St. Laurent. Kapitein van deze Kanonneerboot no. 2 was Luitenant ter zee 2e klas Jan Carel Josephus van Speyk. Belgische opstandelingen vochten zich onder leiding van hun aanvoerder – kapitein Grégoire – aan boord van het scheepje en haalden onder groot gejuich de driekleur naar beneden. Onder begeleiding van een paar opstandelingen daalde van Speyk af in het schip om zijn papieren te halen en in een onbewaakt ogenblik wist hij met zijn brandende sigaar de ruim 1500 pond kruit aan te steken die in de buik van het schip was opgeslagen.

Een type zelfmoordactie waarvan in de geschiedenis overigens meer voorbeelden te vinden zijn, van schippers die hun schip, of commandanten die de kruitmagazijnen van hun fort in de lucht lieten vliegen. Met een daverende knal vloog het schip van Van Speyk de lucht in. Voor Koning en Vaderland werden de afgerukte ledematen en lichaamsdelen naar alle windrichtingen geslingerd. Dan liever de lucht in waren de gevleugelde woorden die Van Speyk toegedicht werden en dat was dan ook wat er letterlijk en figuurlijk met hem gebeurde. In het wrak van Kanonneerboot no. 2 werd in de opengebarsten kajuit nog een gedeelte van zijn romp gevonden en na veel getouwtrek werden deze resten in een vat met alcohol gestopt en aan de commandant van de Noordelijken gezonden.

Toen later het vat werd geopend zagen ze nog resten van zijn hemd, borstrok en uniform op zijn borst en rechterarm en zelfs de Militaire Willemsorde die hem een paar dagen daarvoor was opgespeld bungelde er nog aan. De aanwezige officieren verdeelden een gedeelte van zijn uniform én het lintje als oorlogsouvenir onder elkaar en de overige heldenresten kwamen uiteindelijk terecht in Amsterdam. Daar werd het restant van Van Speyk nauwkeurig bekeken, ontleed en gebalsemd, in een loden kist gelegd en later met veel pracht en praal begraven in de Oosterkerk.

De propagandistische waarde van Van Speyk

Het mensenoffer van Van Speyk leverde de Nederlandse bestuurskliek geen windeieren, het was goed voor de saamhorigheid en de koninklijke propagandamachine werkte op volle toeren. Koning Willem besliste dat voortaan altijd een Nederlands marineschip de naam Van Speyk zou dragen en dat er een imposant gedenkteken voor hem zou worden opgericht. In heel het land kwamen allerlei initiatieven van de grond. De één wilde in Egmond aan Zee een Jan van Speyksvuurtoren bouwen, beeldhouwers uit het hele land verdrongen zich om een gedenkteken te mogen ontwerpen en in het Burger-Weeshuis in Amsterdam – zijn geboortestad – werd een monument geplaatst. Nabestaanden van Van Speyk en van de slachtoffers kregen van koning Willem allemaal een flinke buidel met klinkende munt. Kunstenaars van naam en faam maakten schilderijen van een uit elkaar spattende kanonneerboot en koning Willem gaf opdracht om een gedenkpenning te slaan.

Tyskerhoren & Tyskerbarn

Op 7 mei 1945 ondertekende generaal Alfred Jodl de onvoorwaardelijke overgave van alle Duitse strijdkrachten aan de geallieerden. Om 02.41 uur die nacht zette hij zijn handtekening onder de capitulatievoorwaarden. In deze voorwaarden was overeengekomen dat alle strijdkrachten onder Duits gezag hun actieve operaties op 8 mei 1945, om 23.01 uur centraal Europese tijd, staakten. Ook voor Noorwegen kwam daarmee een eind aan de Tweede Wereldoorlog. Met de verrassingsaanval op 9 april 1940 was voor dat land de oorlog begonnen en dolf ze met de capitulatie op 7 juni het onderspit.

In de loop van dinsdag 8 mei begonnen leden van het Noorse verzet de posities van de Duitsers over te nemen en keerden koning en regering weer in het land terug. Het leven hernam voor het merendeel der Noren langzamerhand weer haar normale en vredevolle ritme. Voor een klein deel eindigde de oorlog allerminst. Een aaneenschakeling van ellendige en mensonterende gebeurtenissen maakten hun leven tot een ware hel. Het waren niet zozeer de collaborerende landgenoten, zakenlieden en industriëlen die op profijt belust en gericht op oorlogswinst welbewust collaboreerden. Ook niet de kwart miljoen landgenoten die verplicht vrijwillig hun diensten aan de Duitse bezetter verleenden. Nee, geen van hen had noemenswaardige repressailles te vrezen. De toorn en opgeklopte volkswoede gold die Noorse vrouwen die in vijf oorlogsjaren de onvergeeflijke misdaad hadden begaan verliefd te raken op een Duitse soldaat én zelfs bevielen van een kind.

Deze Tyskerhoren (Duitse hoeren) en hun kroost, de Tyskerbarn (Duitse kinderen), konden rekenen op represailles van de zichzelf tot de oprechte Noren verklaarde burgers. Als vergeldende en dood & verderf brengende duivels stortten zij zich op de meer dan 15.000 Noorse vrouwen en de meer dan 10.000 kinderen die door Duitse soldaten verwekt waren. Net als de Moffenhoeren in Nederland werden ze als oorlogsbuit onbeschermd overgeleverd aan de sadistische willekeur van de Goede Vaderlanders. Net als in Nederland werden vrouwen en meisjes door moedige burgers gescalpeerd, bespot, geminacht, beroofd, misbruikt, verkracht en soms erger. Was dat in Nederland al een verschrikking op zich, Noorse vrouwen en oorlogskinderen ondergingen een nog wreder lot.

De half Duitse kinderen werden verondersteld besmet te zijn met een fascistische bacil en als geestelijk onvolwaardig en genetisch minderwaardig bestempeld. Deze kinderen werden gedwongen uit huis en in opvoedingsgestichten en tehuizen voor geestelijk zieken geplaatst. Ze werden niet beschermd voor het sadisme waaraan ze werden onderworpen door verplegers, verzorgers en gastouders, door wie ze verkracht en mishandeld werden. Alle mogelijke kwalen moesten ze ondergaan, als beesten aangelijnd, opgesloten bij valse honden, overleven tussen wilde varkens, gemarteld met kokend water, hete vuurpoken en brandende sigarettenpeuken. Zowel de kinderen als hun moeders werden – met medeweten van de Noorse regering – door de Noorse en Amerikaanse geheime dienst CIA misbruikt voor LSD experimenten, medische proeven en open hersenoperaties (Lobotomie) waar stukken hersenen verwijderd werden bij levende personen.

De op 15 november 1945 in de Noorse plaats Ballangen geboren Anni-Frid is een van deze Tyskerbarn kinderen. Anni-Frid was een van de vier leden van de later wereldbekende muziekgroep ABBA terwijl haar levensverhaal nagenoeg onbekend gebleven is. Haar moeder Synni Lyngstad beging op haar 18e jaar de misdaad verliefd te worden op de 26-jarige Duitse soldaat Alfred Haase. Een paar maanden voor de Duitse capitulatie leerde het stel elkaar kennen, hielden van elkaar maar werden van elkaar gescheiden toen Alfred na de capitulatie naar Duitsland terug moest. Dat Synni zwanger was heeft Alfred nooit geweten. Het kindje werd na de capitulatie geboren in een voor haar erg vijandige wereld. Begin 1947 vluchtte haar moeder Synni, samen met haar oma Antine en met Anni-Frid naar Zweden waar ze in het plaatsje Torshälla een veilige woonplek vonden. Nog voordat Anni-Frid 2 jaar oud was stierf haar moeder plotsklaps aan een nierziekte. Haar vader was omgekomen bij een scheepsramp en zo bleef ze alleen achter bij haar oma. Meer dan 30 jaar later bleek uit naspeuringen dat haar vader de oorlog wel overleefd had en zagen beiden elkaar in de zomer van 1977.

Het levensverhaal en maatschappelijk succes van Anni-Frid staat haaks en schril op dat van haar mede Tyskerbarn lotgenoten. Hun lot en lijden wordt nog steeds ontkend en miskend door de Noorse overheid en zijn de kinderen van toen heden ten dage zwaar gemankeerde grotendeels rechteloze volwassenen.

Wir haben es vergessen…..

Hongerkindje Het is februari 2018, het is niet koud, de de winter heeft al vele jaren een zacht karakter. Heel anders was het in de oorlogswinters van 1940-1945, toen was het bar en boos gesteld en gaf de winter van ’43/’44 Nederland een ondertemperatuur van 27 graden onder nul. Nu – ruim 70 jaar later – is het weer van toen geen onderwerp meer van gesprek, en dat is niet alleen met het weer het geval. Ook de Nederlandse geschiedenis is nauwelijks nog onderwerp van gesprek, laat staan het oorlogsleed dat geleden is, dat is niet tot nauwelijks nog in herinnering.

Dat miljoenen Nederlanders honger leden is nauwelijks tot niet opgeslagen in het collectief geheugen. Dat honderdduizenden Nederlanders met de gevolgen hiervan te maken kregen en aan hongeroedeem leden is niet verankerd in het Nederlandse bewustzijn. De treinstaking die in 1944 mede op initiatief van bankier Wally van Hall mogelijk werd maakte het leven van al deze creperende Nederlanders tot een hongerhel. Door ondervoeding en gebrek stierven aan de gevolgen 125.000 Nederlanders aldus de goed geïnformeerde Franse aanklager mr. Mournier tijdens het Neurenberger-proces in februari 1946. Volgens Oreste Pinto, Luitenant-kolonel van de Nederlandse (contra)spionagedienst, moet het totaal aantal verhongerde Nederlanders behoorlijk naar boven toe worden opgeschaald. Hoe erg het voedselgebrek in het hongerende West-Nederland toentertijd was werd duidelijk in het verhoor van Seyss-Inquart. De op 29 mei 1940 als Rijkscommissaris van Nederland aangestelde Arthur Seyss-Inquart was uit hoofde van zijn functie goed op de hoogte van de voedselsituatie. Tijdens de ochtendzitting op 10 juni 1946 vertelde hij “Ik geloof dat Nederlanders eind 1944 en in 1945 in concentratiekampen en gevangenissen meer voedsel kregen dan de Nederlanders in het westen van het land.”

De door bankier Wally van Hall gefinancierde treinstaking leidde tot onnoemelijk veel leed en nodeloos lijden onder de Nederlandse burgerbevolking. De gehoopte militair-strategische waarde was na de mislukte luchtlandingen bij Arnhem gereduceerd tot ‘0’. Maar de geallieerden bleven vasthouden aan de hongerblokkade. Het Nederlandse verzet was het daar niet mee eens en dat lieten ze weten ook. “De ondergrondse beweging heeft aan Londen in een ultimatum gesteld dat er hier eten moet komen vóór 15 januari a.s., daar ze het zonder voedsel niet meer uithouden, anders wordt de spoorwegstaking opgeheven.”

Hongerfamilie Hongerkindjes groepHongerkindrenDoor ondervoeding en gebrek stierven de Nederlanders van toen als ratten, in de winter van 1944-1945 bezweken de Nederlanders in onvoorstelbare aantallen. Het is een gegeven dat volledig verdwenen is uit het collectief geheugen. Het is geen collectief weten meer, het ontglipt aan het bewustzijn, het is geen onderwerp meer van gesprek, geen jaarlijks terugkerend onderwerp in de leerboeken of in de media. In niets opgelost lijden!

Dat het aantal door honger en gebrek omgekomen Nederlanders op enig moment officieel op 15.000 tot 22.000 vastgelegd is heeft enkel te maken met politiek correcte geschiedschrijving. De werkelijkheid en de waarheid is geweld aangedaan, net als de geschiedschrijving. Verpakt in een fijne oorlogsfilm wordt bankier Wally van Hall in 2018 notabene neergezet als een goed vaderlander en bewierookt als een slimme financiële goochelaar.

Bankier van de Dood zou een toepasselijker naam voor deze persoon geweest zijn!

Hongerkind liggend

Foto’s: Nationaal Archief

The Inestimable Munitionettes

De op 28 juni 1914 gepleegde moordaanslag op kroonprins Frans Ferdinand in Sarajevo wordt als het fatale startschot van de Eerste Wereldoorlog beschouwd. Middels het traditioneel en eeuwenoud recept van leugen, misleiding en bedrog raakten ontelbare mannen met elkaar in gevecht en dat op een historisch ongekend vernietigende schaal. Nog nooit in de wereldgeschiedenis had de mensheid zo’n wereldomvattende, gemechaniseerde en geïndustrialiseerde mensenslachting ervaren. Een in alle opzichten vernietigende en welbewust gehanteerde gesel veranderde de wereld, maatschappelijk en sociaal, op onvoorstelbare schaal. Vooral en met name de veranderde positie van de vrouw in de samenleving heeft hiertoe op verschillende manieren aan bijgedragen.

Het Britse Rijk werd al vanaf oorlogsbegin geplaagd door een serieus munitiegebrek wat in 1915 leidde tot het zogenaamde munitieschandaal. Het industriële apparaat was onvolledig toegerust om aan de enorme vraag te voldoen, niet in de laatste plaats doordat ook de technisch vaardige mannen aan het front geplaatst, en daar vermalen werden. Met de Munitions of War Act van 2 juli 1915 bracht de Britse Staat de productie van munitie volledig onder haar beheer en toezicht, ketende ze de arbeiders in de wapen-, textiel-, en havenindustrie, verplichtten hen tot productie en zette het de vakbonden wettelijk buitenspel. De aanvoerders en woordvoerders van het zich tegen deze Munitions of War Act verzettende organisaties zoals de Clyde Workers’ Committee werden veroordeeld en gevangen gezet. Resistance was futile!

De Munitions of War Act bepaalde dat vooral en met name vrouwen binnen het vernietigingsradarwerk aangetrokken dienden te worden om de oorlogstekorten in ‘mankracht’ alsook materiaal as soon as possible aan te vullen. Vakkundig misplaatst verpakt als emancipatie werden tienduizenden vrouwen de vernietigingsindustrie binnengetrokken. Het effect hiervan was moorddadig doorslaggevend en oorlogrekkend! In juni 1917 waren de Munitionettes, zoals de ge-emancipeerde wapen & munitievrouwen werden aangeduid, verantwoordelijk voor in totaal 80% van de productie van alle wapentuig en bijbehorende munitie die hun mannen, zoons en vaders in staat stelden om te verminken, te doden en vernietigen. Zelf bracht het leger Munitionettes ook grote offers, raakten onvruchtbaar, verlamd, gehandicapt, verminkt en stierven door het werken met TNT, salpeterzuur en talloze andere levensgevaarlijke chemicaliën die hun immuunsysteem finaal verwoestte. Vele honderden Munitionettes verloren het leven bij explosies in munitiefabrieken zoals in 1918 bij de National Shell Filling Factory in Chilwell.

Het waren in eerste instantie en met name de witte mannen die geallieerd en vooraan in gevecht geschoven werden, een privilege dat in eerste instantie niet weggelegd was voor anderskleurige en anders-rassige wereldbewoners. Honderdduizenden koloniale soldaten werden in de loop van deze wereldstrijd uit alle koloniale Britse en Frans-koloniale hoeken gerekruteerd om voornamelijk logistieke ondersteuning te verlenen, voeding, verzorging en munitie aan te slepen en ravage weg te sjouwen. Vooraan en in de frontlinie doden & gedood worden was in eerste instantie een witte mannen privilege maar werd dat dodelijke voorrecht gedurende het verloop van tijd en strijd ook aan uit de koloniën afkomstige hulptroepen toegekend.

Het waren de vrouwen die ge-feminiseerd en aan het thuisfront de dood baarden, wapens en vernietigingssystemen van elk kaliber, formaat en uitvoering het levenslicht gaven waarmee hun mannen, broers en vaders andere vaders, broers en mannen finaal het levenslicht ontnamen. Amper 20 jaar na deze wereld- en maatschappij verscheurende oorlog mochten de Munitionettes opnieuw aantreden. Onder vals gevlagde vrouwenrechten gaven honderdduizenden Munitie Truzen acte de présence. Klinknageltruzen als Rosie the Riveter en feminale wapensmeden als Ronny the Brengun Girl zagen het daglicht en verrichten voor volk & vaderland maar vooral en met name het internationaal opererende militair-, industriële-, economische complex hun onschatbare dodelijke diensten.

(Picture: Wikipedia, Licensefree)

Genog is Genog!

Popko Genog

Vrijdagavond de 19e januari 2018 laten de Groningers opnieuw van zich horen, gaan ze de straat op met fakkels, vaandels en zichzelf. Met alle recht van de wereld, want ze worden bestolen, bedrogen en voorgelogen en dat al meer dan 60 jaar!

Hun ‘land’ hun ‘goed’, hun ‘goud’ is hen ontstolen. Groningen het Nederlandse wingewest dat leeggeplunderd wordt door wereldwijd opererende economische graaiers & snaaiers. De in Den Haag genestelde politiek verantwoordelijken zullen schitteren door afwezigheid, kopstukken van links tot rechts ZIJ zitten tot hun strot verstrikt in een leugenachtig netwerk, ZIJ wassen hun handen in onschuld terwijl stromen boter hen het zicht benemen. ZIJ zullen zich niet laten zien, net zo min als afgevaardigden van het Oranjekartel, dus nee geen Willem of Maxima want die weten verrekte goed welke hand hun macht en knip voedt.

Al 60 jaar speelt de Nederlandse overheid voor Sinterklaas. Met het gas dat ze door de NAM uit Groninger bodem steelt deelt ze uit met gulle hand, financiert ze elke gril en grol, stopt elk gat in de begroting en smijt ze het geld over de balk. TOEN had Nederland een Staats-schuld van € 20 miljard, NU na een kleine 60 jaar lang potverteren en € 600 miljard ‘aardgasbaten’ verder is de Staats-schuld opgelopen tot € 500 miljard. WIE hebben van de ‘aardgasbaten’ geprofiteerd anders dan de aandeelhouders van de SHELL en EXXON die middels het vehikel NAM de Groninger bodem leegplunderen? Die ‘Staats-Schuld’ mogen ALLE Nederlanders betalen en dat generaties lang, de Groningers krijgen echter de zwaarste rekening gepresenteerd, erfgoed gaat teloor, maar Groningen DAT gaat nooit teloor of verloren!

Ons volk is brokkel, stroef en kold, net as zien haarde kloeten, het beste is noar binnen vold, de roegste kaant zit boeten!

Histoire d’O – Bertha Pappenheim

Eind november 1880 klopten Siegmund Pappenheim en zijn vrouw Recha aan bij de Weense arts Josef Breuer. Breuer was naast befaamd medicus eveneens filosoof en psycholoog. De Pappenheimers vroegen hulp voor hun dochter Bertha die aan een onverklaarbare geestelijk stoornis leed. Al tijden werd ze gekweld door hysterie, hallucinaties, angststoornissen en depressies.

Zo traden plotseling spraakstoornissen op die – ongelijk welk jaargetijde – soms dagen voortduurden. Op die momenten was ze niet in staat om in het Duits, haar moedertaal, te antwoorden. Italiaans, Frans en Engels waren dan de talen waarin ze respondeerde. Haar psychische stoornis kende een grote verscheidenheid aan symptomen. Dan weer werd ze plotsklaps getroffen door doofheid en verlamming, had ze sterke gelaatsvertrekkende zenuwpijnen, rollende oogballen en last van scheelheid, afgewisseld door sterke stemmingswisselingen, vergeetachtigheid en werd ze geplaagd door ernstige eetstoornissen. De dan 21-jaar jonge Bertha zou (lange tijd anoniem) de geschiedenis ingaan als patiënte Anna O. Door de initialen van haar voor-, en achternaam (B en P) te vervangen door de daaraan voorafgaande letters (A en O) werd de lettercombinatie verkregen waarop haar pseudoniem werd gecreëerd. Bertha Pappenheimer werd Anna O.

Breuers beoordeelde zijn patiënte als “bijzonder beschaafd, maar seksueel verbazingwekkend onderontwikkeld”. Zijn behandeling bestond uit het onder lichte hypnose te brengen en Bertha te laten vertellen over de angsten en beklemmingen die haar gevangen hielden waardoor een lichte verbetering van de klachten leek op te treden. Ondanks dat verslechterde haar gezondheidstoestand aanzienlijk en nauwelijks twee weken later was Bertha voor maanden – letterlijk en figuurlijk – verplicht aan bed gekluisterd. Nadat haar vader op 5 april 1881 overleed verslechterde haar algehele gezondheidstoestand dramatisch. Haar symptomen verergerden zich zodanig dat ze op 7 juni 1881 onder dwang naar een privékliniek voor Nerven-, Gemüts- und Geisteskranke in Inzersdorf werd overgebracht. Na enkele maanden in deze kliniek onder behandeling te zijn geweest verbeterde de situatie van Bertha zodanig dat ze in november 1881 ontslagen kon worden en weer onder behandeling kwam van Josef Breuer.

In de zes maanden intensieve behandeltherapie vond een incident plaats waardoor Breuer de behandeling van patiënte Anna O. tijdelijk overdroeg aan een collega. Dat incident bestond uit een confrontatie waarin Breuer haar een keer krimpend van de buikpijn had aangetroffen en ze uitriep dat “het kind van dokter B. eraan komt” (zijn kind). Verschrikt liep Breuer weg en droeg de behandeling van Anna O. tijdelijk over aan een collega. “Op dat moment”, schreef Freud, “had Breuer de sleutel in handen, maar hij was niet bereid hem te gebruiken”. Breuer besloot dat hij het maximaal haalbare bereikt had. Op 7 juni 1882 stopte hij de behandeling en sloot het dossier met de afsluitende verklaring dat de behandeling succesvol geweest was en dat Bertha als volledig genezen beschouwd kon worden. Haar succesvolle behandeling werd door Breuer en zijn leerling Sigmund Freud later als basis genomen voor de daaruit ontwikkelde psychoanalyse.

Bertha was allesbehalve van haar aandoeningen verlost en nauwelijks vier weken later werd ze door Breuer op 12 juli 1882 doorverwezen naar sanatorium Bellevue in Kreuzlingen. Deze door de Zwitserse psychiater Robert Binswanger geleidde specialistische privékliniek richtte zich voornamelijk op de behandeling van vermogende psychiatrische patiënten. Na drie maanden was de gezondheidssituatie van Bertha zodanig verbetert dat ze uit de inrichting ontslagen kon worden, echter zonder dat ze van haar kwalen of aandoeningen genezen was.

In die periode bracht ze bezoeken aan haar 14-jaar oudere nicht Anna Elka Ettlinger, een bewust alleenstaande vrouw. Ettlinger legde zich toe op het onderwerp vrouwenemancipatie, een gebied waarmee ze zich als auteur al enige jaren bezig hield. In 1870 was een artikel over dit onderwerp van haar hand verschenen onder de titel Ein Gespräch über die Frauenfrage. Bertha liet haar nicht ter beoordeling enkele van de door haar geschreven sprookjes lezen. Ettlinger prees haar werk en geïnspireerd door haar nicht en het door haar aangehangen onderwerp stortte ze zich op het onderwerp vrouwenemancipatie. Om ook persoonlijk actief betrokken te raken volgde ze eind 1882 een door de Badischen Frauenverein aangeboden cursus ziekenverzorging. De opzet van deze cursus was om jonge vrouwen een kans te bieden een leidinggevende positie in klinieken en zorginstellingen te vervullen. Door haar eigen beperkingen kon ze deze cursus niet volledig volgen en afronden. Als ervaringsdeskundige had Bertha persoonlijk en in de praktijk op dit gebied geïnvesteerd. Ze was afkerig van mannen en voelde zich seksueel tot vrouwen aangetrokken. Het zou echter nog tot 1924 duren voor ze op 65-jarige leeftijd openlijk een relatie aanging met de achtendertig jaar jongere (op dat moment 27-jarige) Hannah Karminski.

In de periode 1882-1888 bracht ze zoveel mogelijk uit het licht der schijnwerpers door, samen met haar moeder in de stad Wenen. Gedurende die tijd werd ze met regelmaat voor langere of kortere periodes voor behandeling van haar complexe aandoeningen opgenomen in de kliniek in Inzersdorf. In november 1888 verhuisde ze met haar moeder naar Frankfurt am Main waar ze werkte in een gaarkeuken en voorlas aan de kinderen van het Meisjesweeshuis van de Israëlitische vrouwenvereniging. Eind 1888 verschenen ook haar eerste feministische schrijfsels, eerst anoniem en later onder de naam P. Berthold, een pseudoniem dat ze uit haar eigen naam herleid had. Ze draaide haar voor en achternaam om, gebruikte daarvan de beginletters en het grootste deel van haar voornaam als achternaam: Berth(a) Pappenheim werd P(aul) Berth(old).

Binnen enkele jaren klom haar ster binnen de vrouwenbeweging. In oktober 1895 bezocht ze de jubileumbijeenkomst van de Allgemeinen Deutschen Frauenvereins (ADF) welke in Frankfurt am Main gehouden werd en hielp ze mee een lokale afdeling van de ADF van de grond te tillen. 1895 was ook het jaar dat het boek Studien über Hysterie gepubliceerd werd. Een door Josef Breuer samen met Sigmund Freud geschreven naslagwerk waarin haar verborgen geschiedenis, de geschiedenis van patiënte Anna O., werd beschreven. Het werk geldt als het eerste echte voorbeeld van de psychoanalyse.

De sprookjesvertelster van eerst werd in 1896 de leiding in handen gegeven van het Meisjesweeshuis van de Israëlitische vrouwenvereniging. In de daarop volgende 12 jaar zette ze zich succesvol in om de tot dan geldende sociale normen en maatschappelijke waarden in de opvoeding te keren. De wezen werden niet opgevoed en voorbereid in het rolpatroon van verbondenheid & partnerschap tussen man en vrouw, maar aangemoedigd tot individualiteit en zelfstandigheid.

Eind 1898 raakte Bertha betrokken bij de bestrijding van de handel in Joodse meisjes en vrouwen, de Mädchenhandel. Vrouwen die door Joodse vrouwenhandelaren uit Polen, Oekraïne, de Balkan en Rusland werden weggelokt en terecht kwamen in de seksindustrie. Bertha deed daar een boekje over open. In oktober 1902 vond in Frankfurt am Main de eerste Duitse manifestatie tegen deze Mädchenhandel plaats, Bertha verwierf de opdracht hierover een rapport op te stellen dat op de in 1904 in Berlijn gehouden International Council of Women gepubliceerd werd. Bertha werd in Berlijn gekozen tot voorzitster van de Jüdischen Frauenbundes. Vooral en met name de aandacht voor de rol van de Joodse vrouwenhandelaren werd haar niet in dank afgenomen en vooral uit orthodox Joodse kringen wierp men haar Schmähung des Judentums voor de voeten.

Op 25 november 1907 werd in een royaal woonhuis in de buurt van Frankfurt am Main – in Neu-Isenburg – een opvanghuis gerealiseerd, het Jüdisches Mädchenwohnheim. Het gebouw werd door Louise Goldschmidt, een familielid van Bertha’s moeder geschonken. Niet alleen prostituees maar ook de buitenechtelijk verwekte kinderen werden hier opgevangen, verzorgd en opgevoed. Individualiteit en zelfstandigheid stond ook hier aan de basis van de (her)opvoeding van de meisjes en moeders. Kunst, theateropvoeringen en voordrachten stonden regelmatig op het programma, onder andere van filosoof Martin Buber met specialisatie op het gebied van Psychiatrie und Psychologie. Buber was een persoonlijke vriend van Bertha. De bewoners van het Jüdisches Mädchenwohnheim kregen uitgebreide medische verzorging en werden regelmatig psychiatrisch onderzocht, maar psychoanalytische behandeling werd door Bertha niet toegestaan. In 1910 vertaalde ze de oorspronkelijk in het Jiddisch geschreven memoires van Glikl Hamil, echtgenote van een Joodse koopman die leefde van 1645 tot 1724. Het werk werd in Wenen uitgegeven. Bertha vereenzelvigde zich daarbij zozeer met de persoon van Glikl dat zij bloedverwantschap met haar meende te hebben en liet zich in 1925 door de befaamde Joods-Poolse kunstschilder Leopold Pilichowski in 17e eeuwse kleding als Glikl portretteren.

1925 was ook het jaar waarin Carl Gustav Jung, de Zwitserse psychiater en geestelijk vader van de Analytische Psychologie een besloten lezing gaf waarin hij aangaf dat de succesvolle behandeling van Bertha door psychoanalyse als een fantasme moest worden beschouwd. “So war auch der berühmte erste Fall, den er [Freud] gemeinsam mit Breuer behandelte und der so sehr als das Beispiel eines herausragenden therapeutischen Erfolgs gepriesen wird, in Wahrheit nichts dergleichen”. Freud zelf was deze mening ook toegedaan en vertelde Jung eerder “daß alle ihre alten Symptome zurückgekehrt seien, nachdem er den Fall aufgegeben habe”.

Bertha Pappenheim heeft zich ooit laten ontvallen dat psychoanalyse in belangrijke mate afhing van de verlangde uitkomst en gewenste uitleg en heeft zich altijd fel verzet tegen psychoanalytische behandeling van personen waarvoor zij de verantwoording droeg. Voor zij op 77-jarige leeftijd in 1936 overleed heeft ze in haar laatste bezoek aan Wenen alle op haar eigen ziekte betreffende bewijsmateriaal vernietigt.

(picture: Bertha Pappenheim as Glikl bas Judah Leib -Wikipedia, Licensefree)

First in Office

Niet George Washington, maar Samuel Huntington moet in werkelijkheid gezien worden als de eerste Amerikaanse president. Sterker nog, pas nadat nog negen anderen hem in dat ambt waren voorgegaan werd Washington tot president benoemd.

Op 28 september 1779 werd de dan 48-jarige advocaat Samuel Huntington benoemd tot president van het eerste Amerikaanse Congres. Deze benoeming was te vergelijken met die van minister-president van het Britse parlement en dat maakte hem daarmee technisch gezien de eerste Amerikaanse president.

Huntington was een van de ondertekenaars van de Declaration of Independece en de Articles of Confederation. Om gezondheidsredenen trad Huntington officieel terug op 9 juli 1781 waarna hij in het ambt opgevolgd werd door Thomas McKean, John Hanson, Elias Boudinot, Thomas Mifflin, Richard Henry Lee, John Hancock, Nathan Gorman, Arthur St. Clair en Cyrus Griffin waarna George Washington op 30 april 1789 als 11e in dit ambt verkozen en benoemd werd. Curieus detail is de later in de geschiedenis veroorzaakte persoonsverwisseling rondom de (blanke) koopman John Hanson uit Maryland met die van een (negroïde) naamgenoot, waarmee het eerste zwarte Amerikaanse presidentschap geclaimd werd.

Samuel Huntington (01-03 § 09-07 1781) : Thomas McKean (10-07 § 05-11 1781) : John Hanson (05-11 1781 § 04-11 1782) : Elias Boudinot (05-11 1782 § 04-111783) : Thomas Mifflin (05-11 1783 § 03-06 1784) : Richard Henry Lee (30-11 1784 § 22-11 1785) : John Hancock (23-11 1785 § 06-06 1786) : Nathan Gorman (07-06 1786 § 05-11 1786) : Arthur St. Clair (02-02 1787 § 21-01 1787) : Cyrus Griffin (22-01 1788 § 04-03 1789) : George Washington (30-04 1789 § 04-03 1797)