Home » Geschied-en-is (Page 4)

Category Archives: Geschied-en-is

Anna van Dijk, Joodse verraadster

Op 20 juni 1945 werd de de op 24 december 1905 geboren Joodse Ans (Anna) van Dijk gearresteerd. Haar werd ten laste gelegd dat zij met haar kompanen Branca Siemons en Rosalie Roozendaal vele honderden joden had verraden. Naar eigen zeggen was eerder het tegenovergestelde haar waarheid die gaandeweg het onderzoek vervangen werd voor de waarheid dat zij onder dwang aan het verraden geslagen was. Een geestelijke afwijking lijkt hiervoor eerder een logische verklaring te zijn.

Fré Morel – vasthoudend, volhardend met open geest, niet links of rechts, maar VRIJ-denkend

Het is een bijzonder en vrijwel onbekend verhaal mét daaroverheen een heel mysterieus tintje. In februari 1947 startte de rechtszaak tegen haar bij het Bijzondere Gerechtshof in Amsterdam. Een krantenartikel van 26 juni 1947 maakte er melding van “dat uit de Duitse administratie bleek dat zij niet minder dan 6 à 700 Joden aanbracht.” Andere bronnen maakten melding van aantallen die ver boven de 900 uitkwamen. Ze bekende alle ten laste gelegde gevallen en procureur-fiscaal mr. Gelinck eiste de doodstraf. Twee verzoeken om gratie werden afgewezen en op 8 januari 1948 werd het doodvonnis door koningin Wilhelmina getekend waarna ze op 14 januari 1948 in Amsterdam gefusilleerd werd.

De Nederlandse auteur en onderzoeksjournalist Koos Groen vroeg zich jaren later af: “…waarom werd uiteindelijk juist Ans van Dijk geëxecuteerd en konden veel anderen die vergelijkbare of veel ernstiger misdrijven pleegden, de dans ontspringen? “Is het toeval dat de enige vrouw die na de bevrijding is geëxecuteerd, joods en homoseksueel was?” Het kan er op duiden dat er mogelijk méér aan de hand leek met Anna van Dijk en het is meer dan aannemelijk dat haar executie verband houdt met aanwijzingen die men in 1949 in handen kreeg.

Ans van Dijk en haar verradersteam was vanaf medio 1943 actief in de Amsterdamse grachtengordel en zou er wel eens verantwoordelijk voor kunnen zijn de familie Frank en de andere onderduikers in het achterhuis te hebben verraden. Enkele dagen daarvoor waren andere onderduikers slechts een paar huizen verderop ook door haar toedoen weggevoerd.

Dat Ans van Dijk door haar veroordeling voor haar verraad op zijn minst ook een rol van ‘scapegoat toebedeeld gekregen heeft lijkt ondertussen meer dan aannemelijk, maar deze rol is eerder postuum toegekend. Persoonlijk ben ik op basis van alle nu bekende informatie geneigd te geloven dat de omstandigheden die geleid hebben tot het oppakken van de onderduikers aan de Prinsengracht 263 hun oorsprong elders hebben. De aanleiding moet eerder gezocht worden in economische collaboratie (de mate ervan én de daarachter verborgen véél brandbaarder informatie) van de firma ‘Opekta’ en de rol daarin van Otto Frank zelf, Hermine Santrouschitz (later Miep Gies) en Tony Ahlers.

Een artikel uit de Leeuwarder Courant van 3 december 1947 waarin te lezen valt dat “na 1 maart 1948 geen nieuwe zaak op het gebied van economische collaboratie [mag] worden geopend. Naar genoemd blad (het Parool) nog meldt, zullen in Amsterdam, als het voornemen van de minister doorgaat nog slechts honderd van de 7.000 collaboratiezaken kunnen worden berecht” lijkt dit vermoeden te ondersteunen.

Economische collaboratie door ‘Opekta’ werd natijd in alle toonaarden ontkend en loog men elke betrokkenheid weg. Pas na hernieuwd onderzoek in 1963 werd schoorvoetend toegegeven dat ‘in het begin van de bezetting’ sprake geweest was van minimale Wehrmachtleveringen. David Barnouw verklaarde jaren later op zijn beurt in het Leids Dagblad van 13 maart 2002 dat het NIOD “al lang op de hoogte was van het feit dat Frank leverde aan het Duitse leger. We hebben er alleen geen aandacht aan besteed omdat we helemaal niet verbaasd waren.”

Sarie Marais – het Boere Strydlied

Het lied Sarie Marais dat ook veel oudere Nederlanders en Belgische zuiderburen nog wel kennen, was in de Boerenoorlog (1899-1902) hét lied dat door de Boerenstrijders gezongen werd. Het was het te vergelijken met dat van Lily Marlene dat de zangeres Marlene Dietrich een paar decennia later zou uitbrengen. 

Het lied werd oorspronkelijk geschreven door de Zuid Afrikaanse dichter en journalist Jacobus Petrus Toerien (1860-1920) in 1889 en was een lofzang op de jonge Susara Margaretha (Sarie) Maré. (1868-1939) In feite was het een bewerking van het strijdlied uit de Amerikaanse Burgeroorlog Sweet Ellie Rhee.

Onder het pseudoniem van Jepete dichtte Toerien – journalist van het blad Di Patriot – zijn regels niet voor zomaar een lief Elsie. Op 19 december 1884 zou hij met Marie Maré, de dochter van Jacob Maré, trouwen. Jacob Maré was overigens een belangrijk man, hij was lid van de uitvoerende raad van Transvaal. Het lied had aanvankelijk niet dezelfde tekst en het aantal coupletten zoals het later bekend werd, maar werd het al zingende verder ontwikkeld. Geruchten gingen dat generaal De Wet het 4e couplet erbij heeft geschreven. Een speling van het lot was er overigens verantwoordelijk voor dat de naam Maré verbasterd werd tot Marais.

Het lied van Sarie Marais ging over de hele wereld. Krijgsgevangen Boerenstrijders importeerden het lied naar hun gevangenkampen in Portugal, St. Helena, de Bermuda’s en Ceylon. Tot op de dag van vandaag gebruiken de Girl Guides uit Sri Lanka (het vroegere Ceylon) dit als lijflied.

Het lied werd in vele talen vertaald, zoals in het Frans, Italiaans en het Russisch. Het Franse Vreemdelinglegioen, de Britse Royal Marines en het seinerskorps van Paraguay hebben het als regimentsmars aangenomen en bij veel wandelevenementen in Nederland werd/wordt het Sarie Marais (vaak meerstemmig) onder het lopen gezongen. Dat met Kakies* de in Khaki geklede Engelsen bedoeld werden is voor vrijwel de meesten onbekend. Sarie, de vrouw van het lied, stierf in alle armoede op 22 december 1939, op 73 jarige leeftijd. Haar graf ligt vlak bij het Vrouwenmonument in Bloemfontein.

Sweet Ellie Rhee

Sweet Ellie Rhee, so dear to me, Is lost forever more
Our home was down in Tennessee, Before this cruel war

Refrein:
Then carry me back to Tennessee, Back where I long to be
Amid the fields of yellow corn, To my darling Ellie Rhee.

Sarie Marais

My Sarie Marais is so ver van my hart, maar’k hoop om haar weer te sien.
Sy het in die wyk van die Mooi Rivier gewoon, nog voor die oorlog het begin.

Refrein:
O bring my trug na die ou Transvaal, daar waar my Sarie woon.

Daar onder in die mielies, by die groen doringboom, daar woon my Sarie Marais.

Ek was so bang dat die Kakies(*) my sou vang, en ver oor die see wegstuur;
Toe vlug ek na die kant van die Upington se sand, daar onder langs die Grootrivier.

Refrein:
O bring my trug na die ou Transvaal, daar waar my Sarie woon.

Daar onder in die mielies, by die groen doringboom, daar woon my Sarie Marais

Die Kakies is mos net soos ’n krokodille pes, hulle sleep jou altyd water toe;
Hul gooi jou op n skip vir ’n lange, lange trip, die josie weet waarnatoe.

Refrein:
O bring my trug na die ou Transvaal, daar waar my Sarie woon.

Daar onder in die mielies, by die groen doringboom, daar woon my Sarie Marais Chorus:

Verlossing die kom en die huis toe gaan was daar, terug na die ou Transvaal;
My lieflingspersoon sal seker ook daar wees, om my met ’n kus te beloon.

Refrein:
O bring my trug na die ou Transvaal, daar waar my Sarie woon.

Daar onder in die mielies, by die groen doringboom, daar woon my Sarie Marais

 

Nederlandse (niet-) Neutraliteit WOI

In het begin van de Eerste Wereldoorlog had het Duitse leger door gebruik te maken van Nederlands grondgebied de neutraliteit – formeel gezien – geschonden, zónder dat hieraan door Nederland consequenties verbonden waren. Zuidelijk van de plaats Eijsden ligt bij Moelingen een gemeenschappelijk Nederlands/Belgisch landweggetje (de Schansweg) waarlangs op 4 augustus 1914 enkele Duitse pelotons marcheerden in de hoop via de Maasbrug van Vise de rivier over te steken. De route die genomen moest worden (voorbij grenspaal 43) voerde onvermijdelijk over Nederlands grondgebied en was daardoor wel degelijk sprake van schending van de Nederlandse neutraliteit.

Fré Morelvasthoudend, volhardend met open geest, niet links of rechts, maar VRIJ-denkend.

Bij het begin van dat weggetje ziet men grenspaal no 43. Even verderop, links in het weiland, ziet men dan ook grenspaal 44. Het weggetje loopt precies tussen deze twee palen door, langs een restaurant en dan recht naar de Maas waar men ook nog grenspaal no 45 kan zien. Vandaar ziet men de overkant. Volgens het grensverdrag tussen Nederland en Belgie was dit weggetje (alleen lopend te begaan) gemeenschappelijk bezit en het is derhalve haast zeker dat de Duitsers bij hun opmars naar de Maas dus ook op Nederlands gebied hebben gelopen.”

Het gehoopte doel werd overigens niet bereikt, de brug was al door het Belgische leger opgeblazen. De schending had echter geen consequenties en werd met de mantel der liefde bedekt waardoor de gedachte van niet neutrale en pro-Duitse Nederlandse opstelling steeds vastere voet kreeg bij de Entente-machten. Niet alleen het verleende keizerasiel in november 1918 maar ook de openstelling van de Nederlandse grens voor de terugtrekkende Duitse legers in die maand leverde een stroom van kritiek op. In de nacht van 18 op 19 november 1918 werd het de Duitsers toegestaan via de Maasbrug bij Maaseik de Maas over te steken en via Roosteren en Susteren naar de heimat terug te keren. Het betrof hier in hoofdzaak etappentroepen die in Noord-België gelegerd waren. Per spoor is de bezetting van Turnhout (een regiment infanterie) via Baarle-Nassau naar Kaldenkirchen (niet ver bij Venlo vandaan) vervoerd. Via station Hamont werden met lazarettreinen Duitse gewonden via de grensplaats Budel over Nederlands grondgebied naar Duitsland gerepatrieerd en een klein aantal soldaten heeft zich via Zeeuws Vlaanderen teruggetrokken. Alles bij elkaar betrof het hier zo’n 70.000 soldaten.

Islamitisch Sonderlager Wünsdorf (WOI)

moskee-wu%cc%88nsdorf

Nadat de grote mensenslachting in 1914 zijn aanvang genomen werd Duitsland geconfronteerd met het onderbrengen van een enorme toestroom aan krijgsgevangenen. De Duitse soldaten waren erg beducht voor deze van hen cultureel zo verschillende, vreemde soldaten met hun bijzondere strijdmethoden. Bij de waarschuwingskreet Die Schwartzen kommen (de Zwarten komen) werden veel soldaten bijna gek van angst. Door het grote aantal gevangen genomen soldaten met verschillende achtergronden kreeg met name Duitsland te maken met onbekende problemen.

Mohammedanen hadden uit godsdienstige motieven een levensgroot probleem met varkensvlees, Brahmanen op hun beurt met alles wat met rundvlees te maken had, Bengaalse Thakurs aten zelfgebakken, ongedesemd brood met rijst en zo was er een breed scala aan exotische bijzonderheden. Voor het eerst in de Europese krijgsgeschiedenis moest een nieuw soort opvangkampen worden ingericht, in totaal zou Duitsland 175 gevangenkampen inrichten. De enorme cultuurverschillen, het was zeker in én binnen Europa van die tijd een ongekend iets.

Door de verscheidenheid aan gewoonten, gebruiken, rituelen en godsdiensten en niet in de laatste plaats door de verscheidenheid aan talen konden de krijgsgevangenen niet zonder meer bij elkaar worden ondergebracht. In eerste instantie werden de gevangenen in verzamelkampen ondergebracht maar traden al gauw onderlinge problemen op. Engelse en Franse krijgsgevangenen konden het maar moeilijk met elkaar eens worden terwijl de autochtone Engelsen en Fransen met weer- en tegenzin gelijk gesteld werden met de door hen in de wereldstrijd meegetrokken koloniale soldaten.

De Duitse overheid zag zich door de veelvoud aan culturen, gebruiken, onderlinge tegenstellingen en religieuze verschillen genoodzaakt de Entente Cordiale gevangenen onder te brengen in aparte kampen. Als naar elkaar toevloeiend kwik sloten Engelsen, Russen en Fransen zich vanzelf aan zoals vandaag de dag gebruikelijk is in Amerikaanse gevangenissen waar zwart, blank, latino etc. elkaars nabijheid zoeken. In Sonderlager werden de gevangenen opgevangen naar nationaliteit, etniciteit en religie. Islamitische gevangenen werden onderverdeeld in twee aparte stromingen, Noordafrikanen in het Sonderlager Wunschdorf bij Zossen en Tartaren in Zossen-Weinberge. Speciale deel-kampen werden ingericht voor Bantu’s, Sudanezen, Indiërs, etc.

Het Islamitische Wünsdorfer Sonderlager bezat een eigen moskee, had een lager-imam en werden de Islamitische krijgsgevangenen, zoals alle andere gevangenen, in de gelegenheid gesteld hun geloof te belijden. Over deze Duitse kampgeschiedenis is weinig achtergebleven in het collectief geheugen, dat men alles in het werk gesteld had om de gevangen genomen vijanden naar eer en geweten te behandelen is een onbekend gegeven. De behandeling van de door geallieerden krijgsgevangen genomen Duitse soldaten week daarentegen schril af, geallieerde de gruwelpropaganda heeft daar zeker een prominente rol in gespeeld.

Burning The House

Artist's rendition of the Burning of WashingtonIn augustus 1814 voer de Engelse vloot de rivier Patuxent op, zo’n vijftig mijl oostelijk van de hoofdstad Washington. “By God, they would not come with such a fleet without meaning to strike somewhere” was de uitgesproken gedachte van de Amerikaanse Generaal-majoor John Van Ness en dáár had hij volkomen gelijk in.

Washington beleefde op dat moment een van de heetste en droogste zomers in haar geschiedenis en het zou haar al snel nog veel heter onder de voeten worden. Met de Engelse troepen in aantocht probeerden de Amerikanen in haastig geknoopte linnen zakken de meest belangrijke regeringsdocumenten in veiligheid te stellen en werden o.a. de Onafhankelijkheidsverklaring, de Grondwet, internationale verdragen en de correspondentie van George Washington op tijd in veiligheid gebracht.

Na verschillende hevige schermutselingen met Amerikaanse verdedigers reed in de ochtend van woensdag 24 augustus 1814 een Engelse verkenningsmissie onder aanvoering van generaal-majoor Robert Ross richting Capitol Hill. Vanuit een huis op het kruispunt Maryland Avenue, Constitution Avenue en Second Street werden door een sluipschutter verschillende schoten afgevuurd. Eén ervan doodde het paard van Robert Ross en een ander verwondde één van zijn soldaten. Het waren de enige schoten die werden gelost.

Hoewel de sluipschutter was gevlucht staken de soldaten het huis in de brand als onderdeel van de door de Engelsen gevoerde politiek elk gebouw te vernietigen van waaruit vijandelijke acties waren ondernomen. Het zou niet het enige gebouw zijn dat in vlammen zou opgaan. Voordat het donker werd zouden vele gebouwen o.a. met behulp van de Congrevische Raketten in vuur en vlam worden gezet en zou de Union Jack op Capitol Hill wapperen.

Toen de Engelsen na krap 26 uur op 25 augustus 1814 de terugtocht inzetten hadden ze de stad op ruime schaal geplunderd en alle belangrijke publieke gebouwen in de brand gestoken, waaronder het Witte Huis en de Congresbibliotheek met meer dan 3.000 onvervangbare waardevolle boeken die tot de grond toe afbrandde. Op 24 december 1814 werd in Gent de vrede getekend en zou de Amerikaanse Senaat op 16 februari 1815 dit verdrag ratificeren zonder enige vorm van Engelse betaling. Engeland had de handen nu helemaal vrij en hield ze door haar overwinningen in diezelfde handen vrijwel absolute macht!

Pierre Minuit & de aankoop van Manhattan

Pierre Minuit (ook wel Peter Minuit of Peter Minnewit genoemd) werd een in het huidige België geboren. Hij werd als zoon geboren uit de Antwerpse koopliedenfamilie Jehan Minuit en Sarah N. Nadat de Spanjaarden Antwerpen hadden ingenomen vertrok de protestantse familie Minuit in 1581 naar de Duitse landen. Pierre zou in goede bekendschap raken, samen met Willem Usselincx en Blommart participeerde hij in de W.I.C. (West Indische Compagnie) Pierre trouwde een rijke koopmansdochter uit Kleef: Gertrud Rae(d)ts. Pierre stond bekend als diamantslijper en met het geld dat zijn vrouw inbracht steeg hij in de diamanthandel. In 1625 stond Pierre op de lijst van de directeurenvergadering van de W.I.C. in Amsterdam.

Op 24 mei 1626 zou Pierre als directeur-generaal van Nieuw België in naam van de W.I.C. Manhatten gekocht hebben voor “een scheet en 3 knikkers” ter waarde van het schamele bedrag van 60 guldens. Behalve een melding over de vermeende aankoop van de Lenape-indianen door  Peter Schaghen is een originele koopakte of ander oorspronkelijk stuk nooit overlegd. De aankoop mag op zijn minst gerekend als uiterst discutabel, mogelijk zelfs als één van de grootste onroerendgoedzwendels beschouwd worden.

Aankoop Manhattan

In 1626 kochten onze voorvaderen het eiland Manhattan van de Indianen voor een schappelijke prijs van f 60,– aan ijzerwaren en glaswerk. Als bijzonderheid zij hier nog vermeld dat kort na het afsluiten van de koop bleek dat de verkopers niet de rechtmatige eigenaren van Manhattan waren, zodat de toen nog doortastende Hollanders besloten niet tweemaal voor eenzelfde gebied te “betalen” en het dan maar liever gewapenderhand in bezat te nemen.”

Bron: 11 Wallstreet, Amerikaanse beursindrukken, pag. 12, C.C.P. Ingwersen Jr, Sijthoff Uitgeverij 1956

Gabrielle Petit

Gabrielle Alina Eugenia Maria Petit werd in 1893 geboren in het Belgische Doornik (Tournai). Gabrielle Petit spioneerde in de Eerste Wereldoorlog voor de Engelse Geheime Dienst waarvoor ze op 1 april 1916 door de Duitsers geëxecuteerd werd.

Na het overlijden van haar moeder werd Gabrielle samen met haar zuster in een katholiek weeshuis ondergebracht in Brugelette, 25 km ten noorden van Bergen (Mons). Op 16-jarige leeftijd verliet ze het weeshuis om zelfstandig verder door het leven te gaan. Als verkoopster verdiende ze in de stad Brussel haar inkomen. Als op 4 augustus 1914 Duitse troepen de grens van België overschrijden zijn de beide landen met elkaar in oorlog. Door haar gewonde verloofde Maurice Gobert over de Nederlandse/Belgische grens te helpen raakte de dan 21-jarige Gabrielle op haar manier betrokken bij de oorlog. In Nederland aangekomen gaf ze aan Engelse officials de informatie door over de door haar opgemerkte Duitse troepentransporten.

Ze besluit te gaan spioneren voor de Engelse Geheime Dienst en volgde hiervoor in Engeland een korte training. Ze slaagde erin in 1914 terug te keren naar het bezette België. Gabrielle meldde zich als vrijwilligster bij het Belgische Rode Kruis wat haar in staat stelde zich makkelijker door het land te verplaatsen. Tot haar taak behoorde o.a. het doorgeven van troepenverplaatsingen en het over de Belgisch/Nederlandse grens smokkelen van gestrande soldaten en oorlogsvrijwilligers. Daarnaast zorgde ze voor de verspreiding van het ondergrondse Franstalige blad La libre Belgique en assisterende ze bij de clandestiene postservice Mot du Soldat. Gabrielle werd uiteindelijk in februari 1916 verraden, opgepakt en gevangengezet in de St. Gilles gevangenis in Brussel. Op 1 maart 1916 werd ze wegens krijgsverraad bestaande uit verspieding ter dood veroordeeld. Een vuurpeloton maakte op 1 april 1916 op het executieterrein in Schaarbeek een einde aan haar leven, haar lichaam werd ter plaatse begraven. Na afloop van de oorlog werden haar overblijfselen overgebracht naar de plaatselijke begraafplaats. In Brussel werd op het St. Jansplein een monument voor haar worden opgericht en in haar geboorteplaats Doornik (Tournai) is een plein naar haar vernoemd.

Gabrielle Petit was één van de elf vrouwen die in de Eerste Wereldoorlog door de Duitsers geëxecuteerd zijn. Door inzet van de Engelse propaganda zou Rode Kruis verpleegster Edith Louise Cavell van deze elf wereldwijd de meest bekendheid verwerven.

 

De Familie Frank Bank

Het is 1885 als de vader van Otto Frank in Frankfurt am Main zijn eigen bank vestigt, de Michael Frank Bank. Zijn kinderen, Robert, Herbert, Helene en Otto hebben een onbekommerd en goed leven. Zoon Otto gaat school op het Openbare Lessing Gymnasium in Frankfurt am Main en doet in 1908 zijn eindexamen.

Na een korte tijd economie gestudeerd te hebben aan de universiteit van Heidelberg vertrekt Otto naar Amerika om aan de slag te gaan bij het warenhuis Macy’s dat eigendom is van de ouders van zijn kameraad Nathan Strauss jr. Nog maar nauwelijks in de USA moet Otto al weer huiswaarts keren als vader Michael op 17 september 1909 overlijdt. Moeder Alice Betty Stern neemt voorlopig de plaats van haar verstorven man in en samen met Herbert en Robert beheert ze de bank. Otto keert terug naar de USA om in het najaar van 1911 weer naar Frankfurt am Main terug te keren.

Ook Otto wordt in de Eerste Wereldoorlog onder de wapenen geroepen en ontvangt voor bewezen dapperheid aan het Westelijk Front het IJzeren Kruis. Na de wapenstilstand neemt Otto in 1919 met tegenzin de scepter over van zijn moeder. De positie van de Michael Frank Bank is niet florissant, als mede (oorlogs-)financier moet de bank op de blaren zitten. Duitsland had de strijd verloren waardoor de Michael Frank Bank naar haar geld en winst kon fluiten. In 1921 was Erich Elias, de man van zuster Helene, mede aandeelhouder van de bank geworden. In 1923 werd in Nederland aan de Keizersgracht 604 in Amsterdam een filiaal geopend, ‘M. Frank & Zonen’. Op 22 november 1923 werd de vestiging ingeschreven in het register van de Amsterdamse Kamer van Koophandel en op 31 december 1923 werd de inschrijving officieel bekrachtigd. De 28-jarige Johannes (Jo) Kleiman werd als procuratiehouder aangesteld.

Het filiaal werd géén succes, al op 15 december 1924 werden het bankfiliaal alweer gesloten en verhuisde de bank naar het privéadres van Jo Kleiman aan de Rombout Hogerbeetsstaat 21 in Amsterdam. Terwijl Otto weer naar Duitsland teruggekeerd was bekommerde Jo Kleiman als verantwoordelijk procuratiehouder met volledige volmacht zich om de verdere afwikkeling. In Duitsland ging het met de Michael Frank bank allesbehalve rooskleurig, in 1926 stonden de bankzaken er niet al te best voor. In Nederland werd het bankfiliaal op 30 januari 1929 finaal uitgeschreven uit het handelsregister en twee weken later werd Jo Kleiman van zijn taak ontlast nadat de uitschrijving officieel bekrachtigd werd. De hoofdvestiging in Frankfurt am Main lag ook onder vuur, naar verluidt waren illegale valutatransacties de aanleiding dat de aandeelhouders in 1929 het hazenpad kozen. Herbert vertrok naar Frankrijk, Robert naar Engeland en Erich Elias naar Zwitserland. Otto onderzocht een optie om in het buitenland een filiaal te openen van het Duitse bedrijf Pomosin. In 1930 viel het doek voor de Michael Frank Bank in Frankfurt am Main.

In de zomer van 1933 trok Otto naar Nederland met de bedoeling om in Amsterdam het Pomosin filiaal te starten. Tijdens zijn werkbezoek bracht hij ook zijn voormalige procuratiehouder Jo Kleiman aan de Rombout Hogerbeetsstaat 21 en bood hem een baan aan bij zijn nieuw op te starten bedrijf. Op 15 september 1933 werd de Nederlandsche Opekta Maatschappij N.V. i.o. ingeschreven bij de Amsterdamse Kamer van Koophandel met Otto als enig aandeelhouder. Als vestigingsadres werd de Nieuwezijds Voorburgwal 120-126 te Amsterdam opgegeven Jo Kleiman als boekhouder. Op 31 januari 1934 werd het bankbedrijf officieel beëindigd en op 26 september 1938, werd de Michael Frank Bank ambtelijk opgeheven en uit het handelsregister geschrapt. Otto woonde toen al enkele jaren met zijn gezin in Nederland, in Amsterdam aan het Merwedeplein.

Pseudowaarheid Wilkomirski & Kosinski

Op het gebied van pseudoherinneringen waar angst en stress een belangrijke rol in gespeeld hebben bestaan over de afgelopen decennia ontelbare voorbeelden. Zonder de bedoeling te hebben om een compleet overzicht te geven hier paar bijzondere voorbeelden van personen die op (inter-)nationaal gebied de aandacht getrokken hebben met hun verhalen en op hun beurt weer anderen beïnvloedden, Binjamin Wilkomirski en Jerzy Nikodem Kosinski.

In het door Binjamin Wilkomirski geschreven boek ‘Fragments: Memories of a Wartime Childhood 1939-1948’ (in Nederland uitgegeven door uitgeverij Bert Bakker onder de titel ‘Brokstukken’) beschreef hij onder andere hoe hij als kind twee Duitse concentratiekampen overleefde en beschreef hij de vaak sadistische taferelen zoals door hem beleefd in de kinderbarakken van de kampen van Majdanek en Birkenau. “I can only try to use words to draw as exactly as possible what happened, what I saw.” Het werk van Wilkomisrski werd van alle kanten lof toegezwaaid. De Amerikaanse auteur Daniel Goldhagen noemde Wilkomirski’s boek “a small masterpiece” en het boek werd vergeleken met het ‘Dagboek van Anne Frank’. De stad Zürich verleende hem een prijs voor zijn literaire bijdrage en hij ontving de prestigieuze Prix Mémoire de la Shoah.

In 1998 werd Wilkomirski in het blad Die Weltwoche door schrijver Daniel Ganzfried ontmaskerd als fantast en leugenaar. Wilkomirski bleek in werkelijkheid het in 1941 geboren en door een Pools artsenechtpaar opgevoede pleegkind Bruno Doessekker te zijn. Zijn hele jeugd had hij in Zwitserland doorgebracht en de genoemde gruwelkampen had hij alleen als toerist bezocht. Volgens de Amerikaanse journalist Mark Pendergrast had Wilkomirski zich van de wijs laten brengen door pseudo-herinneringen, maar Wilkomirski bleef vasthouden aan zijn verhaal. Hierop werd een uitgebreid onderzoek gestart door historicus Stefan Maechler die de hele affaire tot op de bodem uitzocht. Een 371 pagina’s tellend werk was het eindresultaat – “The Wilkomirski Affair: A study in biographical truth.” Wilkomirski was beslist geen holocaustslachtoffer maar een bedrieger die zich vooral had laten inspireren door een documentaire over de kampbewaarders van kamp Majdanek en het boek van … Jerzy Kosinski, ‘The Painted Bird’. Voor Israel Gutman, voormalig Auschwitz gevangene, later directeur van het Yad Vashem Museum en docent aan de Hebreeuwse Universiteit maakte het bedrog van Wilkomirski in feite niets uit omdat Wilkomirski “een verhaal geschreven had dat hij diep doorvoeld had” en daardoor “het verhaal in het diepst van zijn ziel (had) meegemaakt.”

Auteur Jerzy Nikodem Kosinski (geboren als Jerzy Lewinkopf) schreef het boek ‘The Painted Bird’, het boek waar Wilkomirski zich zo door had laten inspireren. Het handelde hier om Kosinski’s autobiografische verslag, over zijn zwerftocht in de Tweede Wereldoorlog door het vijandige antisemitische Poolse platteland en over de sadistische seksuele martelingen. De Amerikaans-Joodse Dr. Norman Gary Finkelstein was een van de personen die Kosinski ontmaskerde als fantast. Kosinski’s boek werd “het product van een door sadomasochistisch geweld geobsedeerd brein” genoemd. In werkelijkheid bleek hij de hele oorlog bij zijn ouders thuis gewoond te hebben en werd de familie Kosinski juist beschermd door de Poolse plattelandsbevolking, ondanks de represailles die daarvoor golden. Desondanks riep Eli Wiesel (schrijver en voorzitter van de Presidential Commission on the Holocaust) in The New York Times Book Review het boek The Painted Bird uit tot “een van de beste aanklachten over de nazitijd, geschreven met diepe oprechtheid en gevoeligheid.” Opmerkelijk genoeg werd (en wordt) Eli Wiesel op zijn beurt beschuldigd een ziekelijke fantast te zijn.

Rotterdam capituleerde te laat

Na meer dan 70 jaar is het document teruggevonden waarin de Duitse bezetter om de overgave van de stad Rotterdam vraagt en waarop de Nederlandse commandant in Rotterdam de capitulatie heeft getekend. Het handgeschreven papier werd teruggevonden in de kaft van het Kriegstagebuch 1, het dagboek waarin de leiding van de Duitse troepen die Rotterdam aanvielen verslag deden van hun activiteiten.

Een handelaar bood het onlangs te koop aan op een Duitse internetveiling. Tot nu toe werd ervan uitgegaan dat het document verloren was gegaan in de oorlog. Historicus Gerard Groeneveld stuitte bij toeval op de documenten bij zijn zoektocht naar unieke foto’s uit de oorlogsjaren. Hij realiseerde zich meteen dat hij iet bijzonders in handen had.

Duitse troepen waren in de meidagen van 1940 snel doorgestoten naar Rotterdam, maar ondervonden daar veel tegenstand. “Ze stelden een ultimatum om de Nederlanders op de knieën te dwingen en dreigden de stad binnen twee uur met de grond gelijk te maken”, zegt Groeneveld. Zowel de burgemeester als de commandant van de Nederlandse troepen, kolonel Scharroo, ontving een exemplaar. Die documenten zijn bewaard gebleven in Nederlandse archieven.

Kolonel Scharroo nam geen genoegen met het ultimatum. “Hij schreef in het Duits terug dat hij niet op het verzoek kon ingaan omdat het niet was ondertekend en er naam noch rang onder stond.” Een kapitein met een witte vlag bracht het papiertje naar de Duitsers. Op dat moment zijn de voorbereidingen voor het bombardement op de stad al in volle gang. Als de Duitse generaal Schmidt het antwoord ontvangt, schrijft hij onder de tekst van Scharroo een nieuw ultimatum met zeven eisen. Hij beveelt directe overgave, het inleveren van de wapens en schrijft tot slot dat de Nederlanders binnen drie uur moeten antwoorden.

Schmidt geeft opdracht om het geplande bombardement uit te stellen vanwege de overgave-onderhandelingen. Rode lichtkogels moeten de piloten van de bommenwerpers van het Kampfgeschwader 54 duidelijk maken dat zij moeten omkeren. Slechts een deel van het eskader ziet dat en dumpt de bommen in de Hoeksche Waard. Het bombardement op Rotterdam is een feit.

Als de Nederlandse kapitein met het nieuwe ultimatum terugloopt, wordt hij overvallen door het geweld. Er ontstaat een inferno als 97.000 kilo aan brisantbommen neerkomen op een groot deel van de binnenstad. “Ze lopen tussen de brokstukken door naar kolonel Scharroo en snappen er niks van”, zegt Groeneveld. “Ze zouden immers nog drie uur de tijd hebben.” Kolonel Scharroo en de Duitse legerleiding komen daarna samen in een bus om de capitulatie van Rotterdam te bezegelen. Onderaan het document met het ultimatum van Schmidt schrijft Scharroo Angenommen, zijn handtekening en de datum van 14 mei 1940.

“De Duitse commandant trok zelf ook een zuur gezicht en snapte de ontzetting aan Nederlandse zijde wel”, zegt Groeneveld. “Ze hadden bij hun opmars ook alleen maar last van de puinhopen van het bombardement.” Omdat de Duitsers met nieuwe bombardementen dreigden en de militaire situatie hopeloos was, tekende generaal Winkelman de volgende dag de capitulatie van alle Nederlandse troepen.

Het nu teruggevonden document met het ultimatum van Schmidt en de capitulatie van Scharroo staan afgebeeld in het boek Rotterdam Frontstad van Gerard Groeneveld. Het bevat ook veel uniek beeldmateriaal en persoonlijke verhalen over de meidagen. Het boek 14 april 2016 aangeboden aan burgemeester Aboutaleb. Groeneveld wil het bijzondere document wel verkopen. “Ik ben klaar met het boek en eigenlijk hoort het samen met de stafkaarten en de verslagen in bijvoorbeeld het Rijksmuseum”, zegt de schrijver. “Als er belangstelling voor is, dan is het te koop.” Hoeveel het oorlogsdocument waard is, kan Groeneveld niet zeggen. “Ik heb zelf behoorlijk wat kosten moeten maken om het te kunnen bemachtigen.”

Bron: http://nos.nl/artikel/2099047-bijzonder-oorlogsdocument-gevonden-in-rotterdam.html