Home » Columns » The Bank of England

 

The Bank of England

 

Bank of EnglandDe (Royal) Bank of England werd in 1694 opgericht en kan beter betiteld worden als een instituut dat schulden creëert door het verlenen van krediet op basis van gebakken lucht. Op 27 juli 1694 werd het Royal Charter uitgegeven, waardoor de oprichting van de Bank of England een feit was. Ze kreeg niet alleen het monopolie om binnengekomen gelden te beheren maar ontving tevens het recht om krediet zonder dekking te verschaffen.

In eerste instantie op basis van 2 : 1. Dit hield in dat dubbel zoveel krediet verleend mocht worden dan waarover de bank in werkelijkheid beschikte. Fictief geld en in wezen fictief krediet maar wél met échte rente en in werkelijkheid terugbetaling van niet bestaand geld. Later werd de norm diverse malen en tot het absurde toe opgeschaald en valt vandaag de dag niet meer in te schatten wat de werkelijke verhoudingen zijn. De schattingen hierover lopen ver uiteen van 33% tot ver daarboven.

Navolgend een informatief stuk over de voorgeschiedenis van de Bank of England en de rol van Willem III, de religieuze bemoeienis en de invloed van de bankiers.

Op verzoek van de Engelse machtselites snelde de Nederlandse stadhouder Willem III de Engelsen te hulp om hun godsdienst en hun vrijheid te redden. Op 10 november 1688 was hij met een vloot naar Engeland overgestoken om zijn schoonvader én de toenmalige koning van Engeland – de roomskatholieke Jacobus II – van zijn troon te stoten. For liberty and protestant religion – (Voor vrijheid en protestants geloof) stond er te lezen op de prinsenvlag.

De prins liet zich onder andere vergezellen door twee van twee knappe vrienden waarvan beweerd werd dat hij met hen een ongepaste, intieme relatie zou hebben; Hans Willem von Bentinck (die later de titel Graaf van Portland kreeg) en Arnold Joost van Keppel (die later met de titel van Graaf van Albemarle werd beloond). Willem zou uiteindelijk in de armen van Bentinck zijn laatste adem uitblazen.

De machtige financiers die enkele decennia daarvoor Oliver Cromwell aan de macht gefinancierd hadden (en waarvoor deze op voorspraak van de Portugees-Amsterdamse rabbijn Menasse ben Israel de Engelse landsgrenzen weer voor de Joden openstelde) stonden ook nu garant voor de oorlogskosten. Van Menasse ben Israel wordt overigens gezegd dat deze een bloedverwant was van Cromwell. Francisco Lopes Suasso, (alias Abraham Israel) Amsterdams bankier van Portugees-Joodse afkomst zorgde er met een krediet van twee miljoen gulden voor dat de invasie tot een succes kon uitgroeien. Hij deed dit zonder hiervoor een kwitantie te eisen, hij investeerde in mogelijk succes. “Als u succesvol bent zult u mij terug betalen, slaagt u niet dan ben ik de verliezer” was wat hij daarop zei. Het succes van stadhouder Willem zou een vette winst opleveren.

Dat de invasievloot richting Engeland koerste veroorzaakte een schok binnen de Nederlandse handel die ervan uitgegaan was dat de Willem III van plan was een strafexpeditie te ondernemen tegen de mens- en handel rovende Algerijnse zeerovers. Een riskante onderneming en naar hun mening moest er naar gerekend worden dat Frankrijk op haar beurt de oorlog zou verklaren. De paniek zorgde voor grote verwarring op de beurs en was dé aanleiding voor het uit elkaar ploffen van de tulpen-hype. Op 25 augustus 1688 zou de Amsterdamse aandelenbeurs dan ook finaal in elkaar storten.

Bijzonder detail was dat ook Paus Innocentius XI aan de financiering van de prinselijke inval van 1688 deelnam. Vóór zijn zalving tot paus ging Innocentius als Benedetto Odescalchi door het leven, telg van een uit het Italiaanse Como afkomstige steenrijke handels- en bankiersfamilie. De gezalfde Odescalchi kreeg het herhaaldelijk aan de stok met Lodewijk XIV de katholieke koning van Frankrijk die hem verschillende malen in zijn carrière dwarsboomde. Lodewijk XIV was op zijn beurt óók weer afhankelijk van de Amsterdamse bankiers.

In 1670 werd de verheffing van Odescalchi tot heiligheid getorpedeerd door Frankrijk en moest hij tot 1676 wachten voor hij zich tot Paus mocht laten zalven. Het zou nooit boteren tussen deze twee machthebbers. Lodewijk XIV liet niets na om de Pauselijke macht in Frankrijk te ondergraven en in 1689 dreigde hij zelfs met een Franse invasie van de Roomse Kerkstaat, iets wat met het overlijden van Innocentius XI op 12 augustus 1689 voorkomen werd. De anders zo vrekkige Odescalchi zou via de familiebank wél fors bijdragen in de kosten van de Nederlandse invasie in Engeland om zo Jacobus II, het katholieke Engelse maatje van Lodewijk XIV beentje te lichten. Dát mocht wél wat kosten.

Doordat de opperbevelhebber van het Engelse leger – luitenant-generaal John Churchill – het op een akkoordje gooide met Willem III was er van serieuze weerstand geen sprake, en was een Glorious Revolution (Glorieuze Revolutie) het resultaat. Het leverde John Churchill de titel Earl of Marlborough en Willem III de troon van Engeland op. Op 21 april 1688 volgde de kroning van Willem en Mary in de Westminster Abbey. Voor de oorlogsbankiers was het ogenblik aangebroken om te incasseren en dat kwam op het moment dat King William de British Treasury opdracht gaf een lening van 1.250.000 pond te plaatsen bij zijn geldschieters.

Met de komst van deze nieuwe meesters van het geld werd het Engelse financiële systeem herzien en had King Billy daarmee de onderdanen van het Engelse koninkrijk als renteslaven overgeleverd aan zijn bankiers. Onder andere deze financiële truc zou de aanleiding zijn voor oprichting van de Bank of England. Moses Mendes da Costa waarvan met aannam dat hij de alles bepalende sefardische economische grootheid achter de Bank of England was, was in werkelijkheid en in persoon vele male machtiger dat dat economische instituut.

Om investeerders te lokken namen William & Mary als eersten een aandeel van £ 10.000 pond in deze bank die werd opgezet door Charles Montague, de Chancellor of the Exchequer. Willem zou zich later nogal klagerig hebben uitgelaten over de beperkingen van het koningschap, hij hield er niet zo van dat men hem de wet voorschreef. In Nederland was hij stadhouder, maar zijn macht was in die positie in Nederland groter dan als koning van Engeland, waarin hij constant op de vingers gekeken en gecontroleerd werd door het Engelse parlement.

Comments are closed

Sorry, but you cannot leave a comment for this post.