Home » Geschied-en-is

Category Archives: Geschied-en-is

Lethal weapon – Spanish Flu

Eind maart 1917 had Duitsland met het hevigste artilleriebombardement ter wereld haar offensief gestart dat in Londen en Parijs voor grote paniek zorgde. De van het oostfront aangevoerde legers leken de linies aan het westfront te overrompelen en ook in Amerika hield men er ernstig rekening mee dat de eigen troepen te laat zouden arriveren om de kansen te keren.

Vanaf mei 1918 arriveerden maandelijks 250.000 Amerikaanse soldaten die pas in de loop van dat jaar effectief ingezet zouden worden en op 2 november 1918 kon Amerika zijn eerste gesneuvelde helden van die oorlog in de geschiedenisboeken opnemen. Met de komst van de Amerikaanse soldaten arriveerde ook het meest dodelijke en besmettelijke virus ooit dat de hele wereldbevolking zou teisteren, de zogezegde Spaanse Griep.

Naar schatting éénderde van de hele wereldbevolking werd door deze bacteriologische killer getroffen waaraan ca. 100 miljoen mensen (!!) stierven. Een absurd hoog aantal slachtoffers dat in totaal drie maal hoger was dan het totaal aantal mensen dat in de Eerste Wereldoorlog aan zijn einde kwam!

Het eerst bekende ziektegeval was dat van soldaat Albert Mitchell die zich op 11 maart 1918 ziek meldde in zijn kazerne Fort Riley. Deze eerste melding werd gevolgd door een golf van militairen die zich meldden waarvan velen binnen korte tijd stierven aan de op dat moment nog onbekende ziekte die door hen three-day fever of ook wel het knock-me-down fever werd genoemd. Duizenden Amerikaanse militairen waren door deze ziekte geveld en velen ervan stierven een gruwelijke dood voordat ze opgeroepen konden worden om aan het Europese oorlogsfront te sterven.

Naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn het de Amerikaanse soldaten geweest die de ziekte meenamen die razendsnel om zich heen zou grijpen in het door oorlogsuitputting geteisterde Europa en haar uitgehongerde en verzwakte samenlevingen. De ziekte hield opmerkelijk genoeg vooral huis onder jonge mensen met een relatief goed werkend auto-immuunsysteem. Het was juist het eigen afweersysteem dat zich door het virus tégen het eigen lichaam richtte.

In verband met de oorlogscensuur verschenen de eerste berichten over de uitbraak van deze op griep lijkende dood in de neutrale Spaanse pers waaraan het zijn naam Spaanse Griep te danken heeft. De ziekte kwam in drie golven, de eerste en minst dodelijke in het begin van 1918, gevolgd door de meest dodelijke tweede golf in de herfst van 1918 met als hekkensluiter een laatste griepgolf in het voorjaar van 1919. Na de wapenstilstand terugkerende soldaten namen het virus als oorlogssouvenir mee naar huis en droegen zo bij aan de wereldwijde verspreiding ervan. Hoe erg dit virus om zich heen greep is te meten aan het sterftecijfer onder de Amerikaanse militairen. Van hen stierf 30% aan de oorlogshandelingen zelf en vond maar liefst 70% de dood door het killervirus.

De plotselinge uitbraak van deze dodelijke ziekte wierp direct veel vraagtekens op. Kritische geluiden gingen op dat de Spaanse Griep in feite niets anders was dan een bewust ingezet biologisch strijdwapen. Zonder de inbreng van dat killervirus had de uitkomst van de wereldstrijd wel eens heel anders kunnen uitvallen.

Hoe absurd en immoreel ook, de inzet van alle mogelijke biologische, virologische en chemische wapens is al zo oud als de mensheid zelf en het is absoluut niet uit te sluiten dat de Spaanse Griep een bewust ingezet biologisch wapen geweest is. Bekend is dat alle Amerikaanse soldaten tevoren gevaccineerd werden ter voorkoming van de, in Europa door oorlogsomstandigheden, uitgebroken besmettelijke ziekten. Is het, met de gruwelijke wetenschap van eeuwen oorlogvoering en mensenvernietiging in het achterhoofd, een idiote gedachtekronkel dat deze jonge mannen mogelijk zelf tot een lethal weapon, een dodelijk wapen gemaakt werden?

Meer te lezen in: Oorlog is misleiding en bedrog, uitgeverij de Blauwe Tijger

Perpetuum Mobile

Wat-geschiedt-is-repeteert-zich!

De Groote Oorlog …… In het vierde oorlogsjaar met miljoenen slachtoffers en onnoemelijk veel leed als resultaat leek 1917 voor de geallieerden uit te draaien op een catastrofaal rampjaar. De belangrijkste geallieerde bondgenoten Engeland, Frankrijk en Rusland waren aan het einde van hun kunnen en mogelijkheden en de kans dat de strijd in hun nadeel beslecht zou worden was meer dan een fictieve gedachte.

Het in de USA residerende bankiershuis Morgan trad op als particuliere oorlogsfinancier, terwijl de Verenigde Amerikaanse Staten op rekening van haar belasting betalende burgers de rol van leverancier vervulde en tot begin 1917 niet actief betrokken was in de Europese Oorlog die het tot dan toe in feite was. De Amerikaanse burgers van toentertijd waren fél tegen inmenging, nauwelijks 5% was vóór actieve militaire deelname en het was niet alleen daarom dat de propagandaleus He kept us out of the war zo effectief gebruikt kon worden om Woodrow Wilson voor een nieuwe periode op het Washingtonse pluche te laten kiezen.

Geallieerde capitulatie zou echter de ondergang inhouden van het bankiershuis Morgan en andere particuliere financiers en de ondergang betekenen van de Amerikaanse oorlogseconomie. Op 5 maart 1917 waarschuwde de Amerikaanse ambassadeur in Engeland Walter Hines Page president Woodrow Wilson dat Engeland nagenoeg failliet was. De oorlog kostte de Engelse burgers het enorme bedrag van vijf miljoen pond per dag, een bedrag dat de Engelse schatkist op dat moment nog tweeëntwintig dagen kon ophoesten! De geallieerde goudvoorraad en andere te vermarkten edelmetalen en onderpanden waren nagenoeg uitgeput om de oorlogsaankopen uit Amerika te betalen. Nauwelijks een maand later, op 6 april 1917, volgde de Amerikaanse oorlogsverklaring.

Van toen, daarvoor tot nu.. het houdt niet op, niet vanzelf..

Zwarte Piet & Glycerine

Propaganda never dies is een van de uitspraken van de illustere geestvervuiler en oorlogspropagandist ten tijde van de Eerste Wereldoorlog, Edward Louis Bernays. Met deze uitspraak over propaganda heeft Bernays het volledig bij het juiste einde. De mens is in de kern een emotioneel aangestuurd en beïnvloedbaar wezen dat zich o-zo-makkelijk laat mis-leiden. Propaganda is daarbij het meest effectieve instrument om de gedachten te sturen en de geest te vergiftigen. Door doelgerichte, geraffineerde en constant repeterende misleiding en bedrog wordt de mens tot overtuiging gebracht om – bij onvoldoende kennis en weten – geloof te hechten aan een tevoren bepaalde en gewenste absolute waarheid.

Sinds enkele jaren is de stelling Zwarte Piet is racisme als vanuit het niets gekoppeld aan het Sint Nicolaas feest. Het genoemde feest is echter een op astronomische basis geschoeid en duizenden jaren oud gekerstend heidens vruchtbaarheidsritueel, waarbij de stand van zon, maan en sterren alles duidend is. Van alle voorgaande beschavingen tot in het megalithische tijdperk aan toe zijn hiervan wereldwijd overblijfselen bekend, niet alleen van bouwsels waarmee uiterst precies o.a. de afzonderlijke seizoenen maar ook de meest ideale momenten van bijvoorbeeld zaaien en oogsten bepaald kan worden.

In de kern gaat het over primaire kennis betreffende licht en donker, warmte en koude en is het in wezen niets anders dan de eeuwig repeterende cyclus van dood en leven. Levensbelangrijke wetenschap, verpakt in eenvoudig overdraagbare en te bevatten formules en handelingen over opkomst, ondergang en voortplanting. Dat alles gekoppeld aan oeroude astronomische kennis en wetenschap, dat alles zonder beschikking te hebben over de kennisoverdragers als boeken, films, wikipedia en google zoals deze vandaag de dag gemeengoed zijn. Op de aan maanstanden gebaseerde, repeterende, gevierde rituelen waarbij met name het licht en warmte als primaire elementen deel uitmaken werd deze levensnoodzakelijke en belangrijke kennis doorgegeven. Door middel van o.a. dansen, eten, tekens, vorm, klank en gezang werd diepgaande en meerlagige, aan elkaar geschakelde, eeuwenoude wetenschap overgedragen van de ene op de andere generatie.

Alle voorgaande en huidig bekende wereldreligies, waaronder de Abrahamitische religies zoals het Jodendom, het Christendom en de Islam zijn hieraan schatplichtig. Anders dan o.a. in het eerste bijbelboek van het Oude Testament staat opgetekend existeerden in-den-beginne reeds de zon, maan en sterren. De hemel, het uitspansel het heel-Al/AL-heel en de aarde maakten daarvan deel uit. Sinds mensenheugenis was het AL reeds en de stand van de maan en alle andere hemellichamen was voor de planeet aarde en al wat op haar was en is allesbepalend. Het christelijke Sint Nicolaas, het Joodse Nieuwjaar of de Islamitische Hadj, om maar enkele voorbeelden aan te halen, worden uitdrukkelijk bepaald door de positie en stand van de maan. Waarom ligt nu het laatste volle maanritueel van de twaalfde maancyclus onder vernietigend vuur?

Van de AL-oude kennis en al hetgeen daaraan verbonden is, is de mens in de loop der tijden steeds verder verwijderd en vervreemd geraakt. Het gemeen-schappelijk weten is vervangen door on-weten. Wat rest en na duizendvoudige hervorming in de tijd overleefd heeft is in symbolische vorm terug te vinden in de wereldreligies van nu, die zich als beherend gastlichaam datgene toegeëigend heeft wat pasbaar en ten eigen nutte bruikbaar was. On-kennis, on-kunde en on-weten heeft ertoe geleid dat de menselijke binding en het persoonlijke verbond hiermee verbroken kan worden. De symboolfiguur die in duaal verband het donkere en verbindende element vorm geeft welke staat voor vruchtbaarheid en voorspoed is door kerstening verworden van zwarte en geketende duivel tot zwarte Zwitserse gardist, dit naast de met mijter getooide heilige, daarmee de katholieke en in Rome gezetelde Paus en zijn gardewacht verbeeldend.

De demonisering van een deel van het duale geheel moet gezien worden als een welbewuste en doelgerichte poging om niet alleen het volledige eeuwenoude ritueel te ontmantelen en daardoor de mensheid totaal te vervreemden van haar toehorende erfkennis. Alle daaraan verwante en gelijksoortige, overlevende en gekerstende maan-rituelen zoals het tot Sint Martinus vernoemde maanritueel, doelend op het feest behorend bij het laatste maankwartier van de tiende maancyclus (ook bekend als Samhain/Allerzielen) en Kerst/Nieuwjaar, doelend op het feest behorend bij het laatste nieuwe maan van de twaalfde maan (ook bekend als Yule) zullen onderwerp zijn van gerichte demonisering om deze finaal te elimineren en uit het collectieve weten te verwijderen. Tegelijkertijd kan de ingezette demonisering gezien worden als een directe aanval op de katholieke- en daaruit voortkomende christelijke religies.

Achter het uit Amerika overgewaaide No more Black Face waaraan volledig ten onrechte de begrippen slavernij en racisme is verbonden en in Nederland vertegenwoordigd wordt door groepen met benamingen als Kick Out Zwarte Piet mag een gerichte politiek-economisch georiënteerde agenda worden verwacht. Een agenda die in vorm en uitvoering grote gelijkenissen en overeenkomsten vertoond met de in de Eerste Wereldoorlog succesvol toegepaste glycerine-campagne waarmee het bewustzijn van de wereldburgers op smerige wijze werd vergiftigt. Bernays was een van de belangrijkste smeerlappen die hierin een belangrijke rol heeft gespeeld. In het vierde oorlogsjaar met miljoenen slachtoffers en onnoemelijk veel leed als resultaat leek 1917 voor de geallieerden uit te draaien op een catastrofaal rampjaar. De belangrijkste geallieerde bondgenoten Engeland, Frankrijk en Rusland waren aan het einde van hun kunnen en mogelijkheden en de kans dat de strijd in hun nadeel beslecht zou worden was meer dan een fictieve gedachte.

Het in de USA residerende bankiershuis Morgan trad op als particuliere oorlogsfinancier, terwijl de Verenigde Amerikaanse Staten op rekening van haar belasting betalende burgers de rol van leverancier vervulde en tot begin 1917 niet actief betrokken was in de Europese Oorlog die het tot dan toe in feite was. De Amerikaanse burgers van toentertijd waren fél tegen inmenging, nauwelijks 5% was vóór actieve militaire deelname en het was niet alleen daarom dat de propagandaleus He kept us out of the war zo effectief gebruikt kon worden om Woodrow Wilson voor een nieuwe periode op het Washingtonse pluche te laten kiezen.

Geallieerde capitulatie zou echter de ondergang inhouden van het bankiershuis Morgan en andere particuliere financiers en de ondergang betekenen van de Amerikaanse oorlogseconomie. Op 5 maart 1917 waarschuwde de Amerikaanse ambassadeur in Engeland Walter Hines Page president Woodrow Wilson dat Engeland nagenoeg failliet was. De oorlog kostte de Engelse burgers het enorme bedrag van vijf miljoen pond per dag, een bedrag dat de Engelse schatkist op dat moment nog tweeëntwintig dagen kon ophoesten! De geallieerde goudvoorraad en andere te vermarkten edelmetalen en onderpanden waren nagenoeg uitgeput om de oorlogsaankopen uit Amerika te betalen. Nauwelijks een maand later, op 6 april 1917, volgde de Amerikaanse oorlogsverklaring.

Vrijwel tezelfdertijd werd een uiterst geraffineerd en doeltreffend propagandaverhaal de wereld in geholpen om de geallieerde strijdgeest te revitaliseren en de geest van de burgers in de geallieerde landen zo met haat te vergiftigen door de vijand op de meest onmenselijke wijze te demoniseren. Ondersteund door een alles suggererende prent van de hand van de Nederlandse topillustrator Louis Raemaekers lanceerde de Northcliffe-Press in april 1917 de enkele jaren daarvoor reeds opgezette en voorbereidde glycerine-campagne. In deze campagne werd opzettelijk een begripsverwarring gecreëerd door het Duitse woord Kadaver foutief te vertalen voor Cadaver, in Engels medisch taalgebruik de aanduiding voor een lijk, oftewel Corpse. Dit werd gekoppeld aan een artikel uit de Berliner Lokal-Anzeiger van 10 april 1917 dat handelde over het verwerken van dierlijke kadavers en niet over gesneuvelde soldaten!

In dit oorspronkelijk 59-woorden tellende artikel van de hand van Karl Rosner handelde over gesneuvelde paarden en ezels (in het Duits als‘Kadaver’omschreven) die in Kadaververwertungsanstalten van de DAVG-Deutsche Abfall-Verwertungs Geselschafft werden verwerkt. Door de opzettelijk verdraaide en foutief vertaalde weergave werden de burgers het beeld voorgeschoteld dat Duitsland de resten van gedode soldaten verwerkte tot o.a. nitro-glycerine, smeer- en lampolie en zeep. Niets anders als haatzaaiende leugens! De publicatie lokte een discussie uit onder de minder goedgelovige lezers die er terecht op wezen dat Leichnam het correcte Duitse woord voor een menselijk lijk inhield. De ingezonden brieven zorgden echter niet voor rectificaties, de propagandistische waarde van het artikel was te groot en werd dit tot ongekende hoogte uitgespeeld en uitgebuit. “No horror in this war of horrors has excited such universal indignation as the announcement that factories have been established in Germany for extracting oils, fats and pig-food from the bodies of German soldiers killed on the battlefield. When the statement was first made most people refused to believe it.”

De koppeling met het vanuit het niets opdoemende en totaal ten onrechte aan elkaar verkleven van slavernij en racisme aan de symboolfiguur Zwarte Piet en de opzettelijk foutieve vertaling van het Duitse woord Kadaver voor Cadaver is niet moeilijk te maken. Gelijk lord Ponsonby haalt Anne Morelli, historica en professor aan de ULB, in het door haar geschreven werk Elementaire principes van oorlogspropaganda aan dat “Systematische twijfel het beste tegengif is tegen de dagelijkse overtuigingsdrift van de media tijdens sociale conflicten”. De ingezette discussie omtrent de rol van Zwarte Piet IS een sociaal en maatschappelijke discussie die – politiek aangestuurd – met name en vooral door media wordt voortgestuwd.

NB. in het begin 2018 door uitgeverij De Blauwe Tijger heruitgebrachte werk Oorlog is misleiding en bedrog ga in dieper in over de rol en invloed van de propaganda. Fre Morel – Bert van Vondel

Compiegne 1918 – het Treinstel

Op donderdagavond 7 november 1918 naderde een auto met daarin een Duitse delegatie bij Houdroy de Franse linies. Voorzien van een witte vlag en een hoornblazer die met regelmaat een viertonig herkenningsignaal blies passeerden ze de linies waarop een Franse hoornblazer de plaats van zijn Duitse voorganger innam. Rijdend door het troosteloze landschap naar La Capelle waar ze in een gereedstaande trein stapten die hen naar een geheime ontmoetingsplaats reed in de bossen rond de plaats Compiegne.

In de ochtend van vrijdag 8 november 1918 hield hun trein stil tegenover een ander treinstel welke zich bevond op een parallel lopende spoorlijn. Dat treinstel was het mobiele hoofdkwartier van generaal Ferdinand Foch, opperbevelhebber van de geallieerde strijdkrachten.

Om 9 uur die ochtend betrad de Duitse delegatie het door generaal Foch in gebruik zijnde omgebouwde restauratietreinstel 2419D met de opdracht om te onderhandelen over een wapenstilstand. Foch liet weten dat er geen sprake was van het voeren van onderhandelingen, enkel het volledig en zonder enig voorbehoud accepteren van de door de Fransen en Engelsen reeds opgestelde eisen. Deze hielden onder andere in dat de gevechten gestopt zouden worden, dat Duitsland vanaf de Rijnoever tot 30 kilometer landinwaarts binnen 28 dagen bezet zou worden, dat alle door Duitsland bezette gebieden binnen 14 dagen ontruimd moesten zijn, grote aantallen locomotieven, treinstellen, goederenwagons, (leger)vrachtwagens, oorlogsmaterieel zoals artillerie, vliegtuigen, machinegeweren etc. moesten worden overgeleverd evenals alle contanten en goud welke per direct moesten worden overhandigd en dat de Engelse zeeblokkade gehandhaafd bleef.

Foch gaf de Duitse delegatie 72 uur om met deze voorwaarden akkoord te gaan of ze te verwerpen, tot die tijd bleef de oorlog onverminderd doorgaan. Ontzet verliet de Duitse delegatie het treinstel en bracht ze de eisen over naar Berlijn aan de pas benoemde Rijkskanselier, prins Max von Baden. Na enkele dagen overleg werd in de vroege ochtend van 11 november om 05.15 uur een voorlopige onderbreking van de gevechtshandelingen overeengekomen, ingaande op 11 uur die ochtend, voor een periode van voor 36 dagen, tot dinsdag 17 december 1918. Op maandag 16 december werd deze afspraak met een maand verlengd in het op het hoofdstation van Trier gestationeerde treinstel 2419D, waarna de overeenkomst telkens opnieuw in hetzelfde treinstel verlengd werd: op maandag 13 januari 1919, zondag 16 februari 1919 met als laatste prolongatie op zondag 13 en maandag 14 april 1919 in het Belgische Spa tot ondertekening van het definitieve verdrag in Versailles op zaterdag 28 juni 1919.

Treinstel 2419D werd in september 1919 door het Franse opperbevel officieel uit dienst gezet waarna ze op 7 oktober 1919 aan de Franse republiek cadeau gedaan werd en door president Georges Clemenceau in ontvangst genomen werd. Op 8 december 1920 werd het treinstel door de nieuwe Franse president Alexandre Millerand gebruikt om met genodigden naar Verdun te reizen en het monument daar te onthullen. Vanaf 29 april 1921 tot 8 april 1927 werd het treinstel tentoongesteld op de binnenplaats van het legermuseum in Parijs waar het steeds meer in verval raakte.

Op initiatief van de burgemeester van Compiegne en met financiële ondersteuning van de Amerikaanse filantroop Arthur Henry Fleming werd de wagen op 11 november 1927 gerestaureerd, teruggebracht naar de plaats van handeling en in een daarvoor speciaal gebouwd museum geplaatst.

Op 22 juni 1940 werd treinstel 2419D na de Franse capitulatie op bevel van Rijkskanselier Adolf Hitler uit het museum gehaald en om 15.15 uur teruggeplaatst op de plek waar zij in 1918 stond. Na een kort militair defilé langs de positie waar het treinstel van de Duitse onderhandelaars toentertijd gestaan had was het om 18.15 uur de beurt aan de Franse delegatie om een soortgelijk vernederende wapenstilstand te ondertekenen. Treinstel 2419D werd op 24 juni op een dieplader gezet en naar Duitsland getransporteerd waar ze op 30 juni 1940 in Berlijn arriveerde. Na ondertekening werd het volledige terrein ontmanteld en met de grond gelijk gemaakt, met uitzondering van het beeld van de Franse Maarschalk Foch dat omzichtig werd behandeld en bewaard bleef.

Bij aankomst in Berlijn werd treinstel 2419D gedurende een week bij de Berliner Dom ter bezichtiging gesteld waarna ze uiteindelijk in een loods ondergebracht werd. In de loop van de oorlog werd ze naar Thüringen overgebracht waar ze eerst in de plaats Ruhla geparkeerd werd om uiteindelijk in de mijngangen in Jonastal ondergebracht te worden. In april 1945 werd ze volgens getuigenverklaringen en naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid door de lokale bevolking in brand gezet. Het stalen onderstel overleefde de brand en werd door de DDR als onderhoudswagen om- en opgebouwd om in de 70-er jaren van de vorige eeuw opnieuw omgebouwd te worden tot onderhoudswagen nr.17. In 1986 werd deze wagen na het oplopen van schade afgedankt en tot schroot verwerkt.

Het in 1940 volledig ontmantelde terrein in Compiegne werd opnieuw naar origineel ontwerp heringericht, Op 16 september 1950 werd een nieuw gebouwd museum geopend waarin treinstel 2439a, afkomstig uit dezelfde productiereeks, plaatsvervangend de honneurs waarneemt. Op het originele standbeeld na van generaal Foch is alles replica.

Het Joods Nationaal Tehuis van Mussert

Op 7 mei 1945 werd NSB-leider Anton Mussert in zijn kantoor aan de Vijverberg in de Haag gearresteerd. Precies een jaar later, op 7 mei 1946, werd hij op de Waalsdorpervlakte geëxecuteerd. Tijdens zijn gevangenschap liet hij zich ontvallen dat het lot der Joodse Nederlanders heel anders geweest zou zijn als men toch maar naar hem had geluisterd. Als men het door hem opgestelde plan had aangenomen, had dat mogelijkerwijze tienduizenden joodse mensenlevens kunnen redden, aldus zijn stelling. Wat hield deze in?

Op 14 november 1938, vijf dagen na de kristallnacht in Duitsland van 9 november, lanceerde NSB-fractieleider d’ Assembourg officieel het plan voor de vorming van een Joods Nationaal Tehuis, het zogenoemde Guyana-Plan. In de volksmond kreeg het de naam Plan Mussert mee en was het door Mussert zelf geïnitieerd, dit tegen het advies in van zijn Politieke Raad. Volgens dit plan moesten de Nederlandse, Franse en Engelse Guyana’s worden samengevoegd tot een 1.500.000 vierkante kilometer groot land, waar alle Joden uit Europa naar toe zouden kunnen verhuizen. Later dat jaar zou Mussert hierover in de nationaal socialistische krant Volk & Vaderland een artikel publiceren. Het plan werd later in het Engels uitgebracht onder de titel “The United States of Guiana; the Jewish national home.” Mussert had zich in deze dan ook laten inspireren door de Britten die al vóór 1938 met de gedachte speelden om joodse immigranten door te geleiden naar Engels Guyana.

Het Nederlandse parlement zat met het NSB-voorstel behoorlijk in haar maag, niet in de laatste plaats door de achter de schermen vermoedde Joods-Zionistische bemoeienis en liet het voorstel voorlopig onbeantwoord. De op gang gekomen vluchtelingenstroom uit Duitsland baarde de Nederlandse regering wel zorgen en om deze te reguleren nam ze op 15 december 1938 maatregelen om illegale en ongecontroleerde grensoverschrijding tegen te gaan. Met een aanpassing in de wet werd in het voorjaar van 1939 alle politieke organisaties in het Rijk (zoals de NSB, die zich nadrukkelijk als organisatie en niet als politieke partij affilieerde) verboden buitenlandse lidmaten in haar geledingen te hebben. Op die wijze probeerde men invloedrijke Joodse NSB-ers elke politieke invloed op de Nederlandse politiek te ontzeggen.

Men richtte haar beleid vooralsnog op de opvang van Joodse vluchtelingen binnen Nederland en dat in een centraal vluchtelingenkamp. Op 19 februari 1939 besloot men tot de oprichting van één Centraal Vluchtelingenkamp in Nederland. Het was vorstin Wilhelmina die bepaalde dat het opvangkamp niet in haar achtertuin opgetrokken mocht gaan worden zoals gepland, maar op het Drentse platteland in de nabijheid van de plaats Westerbork. In augustus 1939 begonnen arbeiders in de werkverschaffing met de bouw van het kamp. Als dan op 1 september 1939 Duitse troepen de grens met Polen oversteken en twee dagen later, op 3 september 1939, Engeland en Frankrijk aan Duitsland de oorlog verklaren verdwijnt het Plan Mussert naar de achtergrond. Door de wereldontwikkelingen wordt het niet meer behandeld en pas na in januari 1946 wordt het weer in de aandacht gebracht. Het in 1937 opgerichte Freeland League for Jewish Territorial Colonization pikt het NSB-plan weer op en vroeg in februari 1946 een onderhoud aan met de Nederlandse minister-president Wim Schermerhorn. In maart 1946 vond dat overleg plaats en toog men vol enthousiasme aan de slag om te komen tot een Joods Nationaal Tehuis zoals door Anton Mussert voorgesteld.

In januari 1947 diende J.C. Brons, de gouverneur van Suriname, een voorstel van de Freeland League in bij de Staten van Suriname die het voorstel op 14 februari aannamen. In juni 1947 stemden de Staten van Suriname met 7 tegen 5 in met het voorstel. Echter, de oprichting van een Joods Nationaal Tehuis in Suriname zou de realisatie van een Zionistische staat in Palestina in gevaar brengen en stuitte op fel verzet in Surinaamse Zionistische kringen. Met het uitroepen van de staat Israël op 14 mei 1948 verdween het Guyana-plan van Anton Mussert finaal van de aardbodem.

De Lusitania-medaille: Misleiding & Bedrog

Op vrijdag 7 mei 1915 wordt ’s middags om tien over drie de Engelse hulpkruiser Lusitania getorpedeerd door de Duitse onderzeeër U-20. De afgevuurde torpedo zorgde ervoor dat het 45.000 ton zware schip binnen 18 minuten naar de bodem zonk. Ruim 1.200 burgers kwamen om het leven. Ook de in Amsterdam geboren en met de Nederlandse musicus Philip Abas getrouwde Beatrice Landesman, zij verdronk samen met haar twee dochters, de 6-jarige Isabel en 2-jarige Beatrice.

In haar ruimen vervoerde het als passagiersschip aangeduide schip in het geheim Amerikaans wapentuig waar Engeland zo om stond te springen, zoals de 5.000 stuks 3 inch granaten verstopt tussen 90.000 kilo boter, kaas en spek, geleverd door de Bethlehem Steel Company. Daarnaast duizenden ontstekingsmechanismen geproduceerd door de Amerikaanse wapenindustrie en de door Remington Small Arms Co. geleverde 4.3 miljoen patronen .303 geweermunitie. Daarmee was (niet alleen) het voorste vrachtruim volgeladen met alles waaraan het Engelse leger zo dringend nodig had aan het front.

Als protest tegen het zinloze moorden en oorlogshandel van de hypocriete oorlogsbankiers ontwierp de in München woonachtige kunstenaar Karl Goetz in augustus 1915 een sarcastisch bedoelde herinneringsmedaille die hij in een kleine kring verkocht. De satirisch bedoelde medaille had echter een storende fout, Goetz had de datum foutief vermeld: 5 mei 1915.

Eén van deze eerste medailles kwam in Engelse handen die haar gebruikten voor hun oorlogsleugenmachine en werden ze in grote aantallen in Engeland en Amerika gekopieerd. In doos met oorkonde te koop voor vijftig dollarcent per stuk of 12 voor 3 dollar. Een geslagen bewijs ter herinnering aan het moorddadige Duitsland en de door dat smerige rijk begane moord op hulpeloze vrouwen en kinderen. Bij het kopiëren van de medaille maakten de geallieerde kopiisten echter (eveneens) een storende fout. Op de geallieerde kopie was de maand mei in het Engels aangegeven. Er stond MAY in plaats van het Duitse MAI. Goetz en de geallieerde vervalsers produceerden daarop een verbeterde versie waarop de datum en de maand wel goed stond: 7 MAI 1915.

Voorzijde:

De zinkende Lusitania met aan dek duidelijk herkenbare oorlogs-spullen, kanonnen, vliegtuigen etc. Met bovenaan de vermelding Keine Bann Ware (geen ban-goederen = geen verboden goederen) met onderop de tekst: Der Grossdampfer Lusitania durch ein Deutsches tauchboot versenkt (het stoomschip Lusitania door een duitse onderzeër tot zinken gebracht) en daaronder de eerste – foutieve – datum van 5 mei 1915

Achterzijde:

Een skelet die de dood moet voorstellen verkoopt de kaarten aan het Cunard Line loket. Bovenaan de medaille staat te lezen: Geschaft über alles (handel gaat boven alles). Links staat een man de krant te lezen waarop in het Duits U-Boot Gefahr (gevaar voor U-boten) te lezen staat terwijl achter hem de figuur van de Duitse ambassadeur graaf Johann-Heinrich von Bernstorff (met hoge hoed) te zien is die waarschuwend zijn rechter vinger omhoog houdt, herinnerend aan de waarschuwende advertentie die Duitsland geplaatst had in de Amerikaanse kranten.

Marokkaanse bevrijders WO2 mythe

In de Tweede Wereldoorlog hebben Marokkanen meegevochten in Zeeland, zo luidt het verhaal, en ze zijn daar begraven. Dat laatste klopt. Het eerste niet. Jaarlijks worden ze herdacht op de Franse militaire begraafplaats in het Zeeuwse Kapelle: honderden soldaten die het in mei 1940 opnamen bij gevechten in Zuid- Beveland en Walcheren tegen de Duitsers. Steun van Nederlandse soldaten hadden ze niet want die waren er vandoor.

Behalve de namen van gesneuvelde Fransen kom je er Marokkaanse namen tegen. Ook zij, zo gaat het verhaal, vochten in Zeeland mee tegen de Duitsers. “Sprookje,” zegt onderzoeker Jan Hey uit Hengelo.

(Bron: HP de Tijd – 2004)

Hey is de deskundige bij uitstek als het gaat om geallieerde militairen die in de Tweede Wereldoorlog op Nederlandse bodem zijn gesneuveld. In het begin van de jaren tachtig kwam hij in het bezit van het archief van het Rode Kruis. Alle toenmalige duizend Nederlandse gemeenten gaven plichtsgetrouw de buitenlandse slachtoffers door aan het Rode Kruis. Later verfijnde hij het systeem, zegt hij, en vergissingen zijn nagenoeg uitgesloten. Zeker, op het Franse militaire kerkhof in Kapelle zijn Marokkaanse militairen begraven, zegt Hey. Maar niet omdat ze daar hebben gevochten. “Ze zijn verdronken bij de evacuatie van de geallieerden bij Duinkerken. Ik vermoed dat het schip waarop ze zaten, is getorpedeerd.”

Waar de mythe van die Marokkaanse soldaten in Franse dienst precies vandaan komt, is moeilijk te achterhalen. Duidelijk is wel dat een belangrijke rol is weggelegd voor de 54-jarige Marokkaanse opbouwwerker Mohamed Achahboun. Hij woont sinds 1970 in ons land en is vanaf 1989 als adviseur bewonersaangelegenheden in dienst van Stichting BOOG in Den Haag.

Achahboun is gebiologeerd door de krijgsverrichtingen van zijn landgenoten in de Tweede Wereldoorlog. Twee jaar geleden – op zaterdag 3 mei 2003 – hield hij een lezing in de Laurenskerk in Rotterdam in het kader van het thema Marokkanen in de Tweede Wereldoorlog, georganiseerd door het Landelijk Bureau ter Bestrijding van Rassendiscriminatie. Achahboun beweerde bij die gelegenheid bewijzen in handen te hebben dat de in Kapelle begraven Marokkaanse soldaten in de meidagen van 1940 in Kapelle en omgeving tegen Duitse SS-eenheden hadden gestreden. Tientallen Marokkaanse soldaten zouden bij de felle gevechten zijn gesneuveld. Een aantal zou op de Franse militaire begraafplaats liggen; daarnaast zouden 63 Marokkanen in massagraven zijn ondergebracht. De mythe, die in Marokkaanse kringen al de ronde deed, kreeg nu het predicaat echt gebeurd.

Het verhaal verspreidde zich razendsnel. Vorig jaar greep het Amsterdamse stadsdeel De Baarsjes de vermeende heldenrol van de Marokkanen aan om hun jonge landgenoten op het goede pad te brengen, na de beschamende taferelen tijdens de dodenherdenking in 2003 in Amsterdam. Toen ging na afloop een groepje jongens voetballen met kransen en bloemstukken. Enrico Bartens, die zichzelf een ras-Amsterdammer noemt, schreef in het boekje Mo ’40-’45 dat de voorvaderen een felle strijd hebben geleverd tegen de Duitsers. In het kader van hun opvoeding zou vorig jaar een bus met Marokkaanse jongeren naar Kapelle afreizen om de jaarlijkse herdenking bij te wonen. In Kapelle zijn die echter niet gesignaleerd. Wel woonde het PvdA-Kamerlid Khadija Arib de herdenking bij, samen met enkele landgenoten.

De Rijksvoorlichtingsdienst vergrootte de spraakverwarring door een persbericht de wereld in te sturen waarin de rol van de Marokkanen in de schijnwerpers werd gezet. Dat was weer tegen het zere been van de Franse ambassade, die vond dat alle media-aandacht ten onrechte uitging naar de Marokkanen in plaats van naar de Franse soldaten van wie wel onomstotelijk vaststaat dat ze zijn omgekomen bij de gevechten in Zeeland.

Voor verwarring zorgde een jaar geleden ook een interview in Elsevier met de inmiddels 84-jarige Moughit ben Daoud, die drie jaar geleden de dodenherdenking in Kapelle bijwoonde. In Elsevier zei de gewezen veteraan dat hij als sergeant deel uitmaakte van het Franse leger dat naar Zeeland was gestuurd om de Duitse opmars te stuiten. Bij gevechten in Zuid-Beveland zouden meer dan honderd Marokkaanse soldaten in Franse dienst om het leven zijn gekomen. Daoud ontsnapte door in de Westerschelde te springen. Ze zouden urenlang hebben gezwommen tot ze door een Nederlander werden opgevangen. Na een paar dagen te zijn ondergedoken, zouden ze lopend naar Frankrijk zijn teruggekeerd.

Mohamed Achahboun, nu: “Die man zuigt dat toch niet uit zijn duim?! Ik vind het heel kwalijk dat hij voor fantast wordt uitgemaakt. Elsevier is een alom gerespecteerd weekblad, dat zich niet kan permitteren om verzinsels af te drukken.”

Archivaris Frank de Klerk van de gemeente Kapelle viel echter bijna van verbazing van zijn stoel toen hij het verhaal onder ogen kreeg. “Het komt me erg ongeloofwaardig over. In mei is het zeewater nog erg koud. Hou kun je in die omstandigheden dan uren in de Westerschelde zwemmen? Na een paar minuten ben je al onderkoeld. Maar ik denk niet dat er sprake was van opzet. Naar ik heb begrepen, heeft Daoud in heel Europa gevochten. Zoveel jaar na dato is het moeilijk om precies te weten waar je overal bent geweest.”

Ook onderzoeker Jan Hey kan het artikel niet plaatsen. Tijdens zijn navorsingen ontdekte hij dat het Zevende Leger vrijwel uitsluitend uit Fransen bestond. “Ze waren ook wat ouder dan gemiddeld. Velen hadden nog in de Eerste Wereldoorlog gevochten.” Hij is geen Marokkaanse namen tegengekomen. “Ik vind het onbegrijpelijk dat het relaas van die Marokkaanse sergeant voor zoete koek is aangenomen. Het verhaal klopt voor geen meter.”

Ook militair-historicus dr. Jan Schulten gelooft niet dat in Zeeland Marokkanen hebben gevochten. Op verzoek van de burgemeester van Kapelle, oud-militair Siebe Kramer, verdiepte hij zich in de vraag wat zich in de meidagen van 1940 precies op Zeeuwse bodem heeft afgespeeld. Schulten heeft slechts één Marokkaan kunnen traceren die bij oorlogshandelingen op Nederlandse bodem het leven heeft gelaten: een parachutist, die in 1945 bij Franse luchtlandingen in Drenthe is gesneuveld. De andere achttien in Kapelle begraven Marokkanen zijn, denkt Schulten, verdronken bij de evacuatie van de Brits/Franse troepenmacht bij Duinkerken, van 26 mei tot 4 juni 1940; de Marokkanen zijn pas in juni en juli aan de Hollandse kust en bij Terschelling, Vlieland en Schiermonnikoog aangespoeld.

Jan Schulten: “Theoretisch is het denkbaar dat die aangespoelde Marokkaanse soldaten in Zeeland hebben gevochten. Van degenen die zich uit Zeeland hebben teruggetrokken, is waarschijnlijk een aantal in Duinkerken aangekomen. Bij de verscheping zouden ze dan kunnen zijn verdronken. Maar dat is heel onwaarschijnlijk. Het ligt meer voor de hand dat de verdronken Marokkanen tot de ingesloten Franse eenheden behoorden die naar Engeland zouden worden overgebracht. En dat geeft weer voedsel aan het verwijt van Franse kant dat de Britten in de eerste boten mochten vertrekken en dat de Franse soldaten pas aan het eind van de evacuatie aan de beurt waren, en dat ze waren aangewezen op gammele bootjes.”

Achahboun blijft volhouden dat het verhaal over zijn landgenoten uit betrouwbare bronnen komt. Inmiddels overleden Kapellenaren zouden hem hebben bezworen dat ze Marokkaanse soldaten naar hun laatste rustplaats hebben gebracht en hen hebben begraven volgens islamitisch gebruik.

Intussen kan men er bij de gemeente Kapelle geen touw meer aan vastknopen. Samen met de Franse ambassade tekent de gemeente voor de jaarlijkse herdenking van de Franse slachtoffers. Bij die gelegenheid staan nabestaanden stil bij de dood van hun geliefden. Ook worden er kransen gelegd. Decennialang was dat een strikt Franse aangelegenheid. Zes jaar geleden stonden er ineens drie bussen met Marokkanen op de stoep. Een student van Marokkaanse afkomst aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda zou zijn landgenoten op het spoor hebben gezet. Twee jaar geleden was de inbreng van de Marokkanen opnieuw voorpaginanieuws toen Achahboun de zaak aankaartte. Alle media stortten zich vervolgens op de Marokkaanse inbreng bij de verdediging van ons land en rukten uit om de jaarlijkse dodenherdenking in Kapelle te verslaan.

Dit jaar zal de herdenking plaatsvinden op dinsdag 17 mei. Op die dag is het precies 65 jaar geleden dat de Franse brigadegeneraal Marcel Deslaurens op de kade van Vlissingen werd doodgeschoten. Met een aantal soldaten dekte hij de aftocht van Franse eenheden die zich lieten verschepen naar Zeeuws-Vlaanderen. Vlak voordat hij als laatste aan boord zou gaan, werd hij dodelijk getroffen door een Duitse kogel.

Wie dit jaar de herdenking zullen bijwonen, is nog onduidelijk. Burgemeester Kramer: “Het is niet eenvoudig om met de Marokkaanse gemeenschap afspraken te maken. Soms komen ze onaangekondigd met bussen vol naar Kapelle, een andere keer zeggen ze de herdenking bij te willen wonen maar laten ze het vervolgens afweten. Je kunt er geen peil op trekken.”

Van Speyk de lucht in

De bescheiden Nederlandse vloot mengde zich in de Noord-Zuid schermutselingen en op 5 februari 1831 dreef één van de Noord-Nederlandse kanonneerboten door hevige windvlagen naar de oever van de Schelde. Hij kwam vast te zitten ten noorden van het fort St. Laurent. Kapitein van deze Kanonneerboot no. 2 was Luitenant ter zee 2e klas Jan Carel Josephus van Speyk. Belgische opstandelingen vochten zich onder leiding van hun aanvoerder – kapitein Grégoire – aan boord van het scheepje en haalden onder groot gejuich de driekleur naar beneden. Onder begeleiding van een paar opstandelingen daalde van Speyk af in het schip om zijn papieren te halen en in een onbewaakt ogenblik wist hij met zijn brandende sigaar de ruim 1500 pond kruit aan te steken die in de buik van het schip was opgeslagen.

Een type zelfmoordactie waarvan in de geschiedenis overigens meer voorbeelden te vinden zijn, van schippers die hun schip, of commandanten die de kruitmagazijnen van hun fort in de lucht lieten vliegen. Met een daverende knal vloog het schip van Van Speyk de lucht in. Voor Koning en Vaderland werden de afgerukte ledematen en lichaamsdelen naar alle windrichtingen geslingerd. Dan liever de lucht in waren de gevleugelde woorden die Van Speyk toegedicht werden en dat was dan ook wat er letterlijk en figuurlijk met hem gebeurde. In het wrak van Kanonneerboot no. 2 werd in de opengebarsten kajuit nog een gedeelte van zijn romp gevonden en na veel getouwtrek werden deze resten in een vat met alcohol gestopt en aan de commandant van de Noordelijken gezonden.

Toen later het vat werd geopend zagen ze nog resten van zijn hemd, borstrok en uniform op zijn borst en rechterarm en zelfs de Militaire Willemsorde die hem een paar dagen daarvoor was opgespeld bungelde er nog aan. De aanwezige officieren verdeelden een gedeelte van zijn uniform én het lintje als oorlogsouvenir onder elkaar en de overige heldenresten kwamen uiteindelijk terecht in Amsterdam. Daar werd het restant van Van Speyk nauwkeurig bekeken, ontleed en gebalsemd, in een loden kist gelegd en later met veel pracht en praal begraven in de Oosterkerk.

De propagandistische waarde van Van Speyk

Het mensenoffer van Van Speyk leverde de Nederlandse bestuurskliek geen windeieren, het was goed voor de saamhorigheid en de koninklijke propagandamachine werkte op volle toeren. Koning Willem besliste dat voortaan altijd een Nederlands marineschip de naam Van Speyk zou dragen en dat er een imposant gedenkteken voor hem zou worden opgericht. In heel het land kwamen allerlei initiatieven van de grond. De één wilde in Egmond aan Zee een Jan van Speyksvuurtoren bouwen, beeldhouwers uit het hele land verdrongen zich om een gedenkteken te mogen ontwerpen en in het Burger-Weeshuis in Amsterdam – zijn geboortestad – werd een monument geplaatst. Nabestaanden van Van Speyk en van de slachtoffers kregen van koning Willem allemaal een flinke buidel met klinkende munt. Kunstenaars van naam en faam maakten schilderijen van een uit elkaar spattende kanonneerboot en koning Willem gaf opdracht om een gedenkpenning te slaan.

Tyskerhoren & Tyskerbarn

Op 7 mei 1945 ondertekende generaal Alfred Jodl de onvoorwaardelijke overgave van alle Duitse strijdkrachten aan de geallieerden. Om 02.41 uur die nacht zette hij zijn handtekening onder de capitulatievoorwaarden. In deze voorwaarden was overeengekomen dat alle strijdkrachten onder Duits gezag hun actieve operaties op 8 mei 1945, om 23.01 uur centraal Europese tijd, staakten. Ook voor Noorwegen kwam daarmee een eind aan de Tweede Wereldoorlog. Met de verrassingsaanval op 9 april 1940 was voor dat land de oorlog begonnen en dolf ze met de capitulatie op 7 juni het onderspit.

In de loop van dinsdag 8 mei begonnen leden van het Noorse verzet de posities van de Duitsers over te nemen en keerden koning en regering weer in het land terug. Het leven hernam voor het merendeel der Noren langzamerhand weer haar normale en vredevolle ritme. Voor een klein deel eindigde de oorlog allerminst. Een aaneenschakeling van ellendige en mensonterende gebeurtenissen maakten hun leven tot een ware hel. Het waren niet zozeer de collaborerende landgenoten, zakenlieden en industriëlen die op profijt belust en gericht op oorlogswinst welbewust collaboreerden. Ook niet de kwart miljoen landgenoten die verplicht vrijwillig hun diensten aan de Duitse bezetter verleenden. Nee, geen van hen had noemenswaardige repressailles te vrezen. De toorn en opgeklopte volkswoede gold die Noorse vrouwen die in vijf oorlogsjaren de onvergeeflijke misdaad hadden begaan verliefd te raken op een Duitse soldaat én zelfs bevielen van een kind.

Deze Tyskerhoren (Duitse hoeren) en hun kroost, de Tyskerbarn (Duitse kinderen), konden rekenen op represailles van de zichzelf tot de oprechte Noren verklaarde burgers. Als vergeldende en dood & verderf brengende duivels stortten zij zich op de meer dan 15.000 Noorse vrouwen en de meer dan 10.000 kinderen die door Duitse soldaten verwekt waren. Net als de Moffenhoeren in Nederland werden ze als oorlogsbuit onbeschermd overgeleverd aan de sadistische willekeur van de Goede Vaderlanders. Net als in Nederland werden vrouwen en meisjes door moedige burgers gescalpeerd, bespot, geminacht, beroofd, misbruikt, verkracht en soms erger. Was dat in Nederland al een verschrikking op zich, Noorse vrouwen en oorlogskinderen ondergingen een nog wreder lot.

De half Duitse kinderen werden verondersteld besmet te zijn met een fascistische bacil en als geestelijk onvolwaardig en genetisch minderwaardig bestempeld. Deze kinderen werden gedwongen uit huis en in opvoedingsgestichten en tehuizen voor geestelijk zieken geplaatst. Ze werden niet beschermd voor het sadisme waaraan ze werden onderworpen door verplegers, verzorgers en gastouders, door wie ze verkracht en mishandeld werden. Alle mogelijke kwalen moesten ze ondergaan, als beesten aangelijnd, opgesloten bij valse honden, overleven tussen wilde varkens, gemarteld met kokend water, hete vuurpoken en brandende sigarettenpeuken. Zowel de kinderen als hun moeders werden – met medeweten van de Noorse regering – door de Noorse en Amerikaanse geheime dienst CIA misbruikt voor LSD experimenten, medische proeven en open hersenoperaties (Lobotomie) waar stukken hersenen verwijderd werden bij levende personen.

De op 15 november 1945 in de Noorse plaats Ballangen geboren Anni-Frid is een van deze Tyskerbarn kinderen. Anni-Frid was een van de vier leden van de later wereldbekende muziekgroep ABBA terwijl haar levensverhaal nagenoeg onbekend gebleven is. Haar moeder Synni Lyngstad beging op haar 18e jaar de misdaad verliefd te worden op de 26-jarige Duitse soldaat Alfred Haase. Een paar maanden voor de Duitse capitulatie leerde het stel elkaar kennen, hielden van elkaar maar werden van elkaar gescheiden toen Alfred na de capitulatie naar Duitsland terug moest. Dat Synni zwanger was heeft Alfred nooit geweten. Het kindje werd na de capitulatie geboren in een voor haar erg vijandige wereld. Begin 1947 vluchtte haar moeder Synni, samen met haar oma Antine en met Anni-Frid naar Zweden waar ze in het plaatsje Torshälla een veilige woonplek vonden. Nog voordat Anni-Frid 2 jaar oud was stierf haar moeder plotsklaps aan een nierziekte. Haar vader was omgekomen bij een scheepsramp en zo bleef ze alleen achter bij haar oma. Meer dan 30 jaar later bleek uit naspeuringen dat haar vader de oorlog wel overleefd had en zagen beiden elkaar in de zomer van 1977.

Het levensverhaal en maatschappelijk succes van Anni-Frid staat haaks en schril op dat van haar mede Tyskerbarn lotgenoten. Hun lot en lijden wordt nog steeds ontkend en miskend door de Noorse overheid en zijn de kinderen van toen heden ten dage zwaar gemankeerde grotendeels rechteloze volwassenen.

Wir haben es vergessen…..

Hongerkindje Het is februari 2018, het is niet koud, de de winter heeft al vele jaren een zacht karakter. Heel anders was het in de oorlogswinters van 1940-1945, toen was het bar en boos gesteld en gaf de winter van ’43/’44 Nederland een ondertemperatuur van 27 graden onder nul. Nu – ruim 70 jaar later – is het weer van toen geen onderwerp meer van gesprek, en dat is niet alleen met het weer het geval. Ook de Nederlandse geschiedenis is nauwelijks nog onderwerp van gesprek, laat staan het oorlogsleed dat geleden is, dat is niet tot nauwelijks nog in herinnering.

Dat miljoenen Nederlanders honger leden is nauwelijks tot niet opgeslagen in het collectief geheugen. Dat honderdduizenden Nederlanders met de gevolgen hiervan te maken kregen en aan hongeroedeem leden is niet verankerd in het Nederlandse bewustzijn. De treinstaking die in 1944 mede op initiatief van bankier Wally van Hall mogelijk werd maakte het leven van al deze creperende Nederlanders tot een hongerhel. Door ondervoeding en gebrek stierven aan de gevolgen 125.000 Nederlanders aldus de goed geïnformeerde Franse aanklager mr. Mournier tijdens het Neurenberger-proces in februari 1946. Volgens Oreste Pinto, Luitenant-kolonel van de Nederlandse (contra)spionagedienst, moet het totaal aantal verhongerde Nederlanders behoorlijk naar boven toe worden opgeschaald. Hoe erg het voedselgebrek in het hongerende West-Nederland toentertijd was werd duidelijk in het verhoor van Seyss-Inquart. De op 29 mei 1940 als Rijkscommissaris van Nederland aangestelde Arthur Seyss-Inquart was uit hoofde van zijn functie goed op de hoogte van de voedselsituatie. Tijdens de ochtendzitting op 10 juni 1946 vertelde hij “Ik geloof dat Nederlanders eind 1944 en in 1945 in concentratiekampen en gevangenissen meer voedsel kregen dan de Nederlanders in het westen van het land.”

De door bankier Wally van Hall gefinancierde treinstaking leidde tot onnoemelijk veel leed en nodeloos lijden onder de Nederlandse burgerbevolking. De gehoopte militair-strategische waarde was na de mislukte luchtlandingen bij Arnhem gereduceerd tot ‘0’. Maar de geallieerden bleven vasthouden aan de hongerblokkade. Het Nederlandse verzet was het daar niet mee eens en dat lieten ze weten ook. “De ondergrondse beweging heeft aan Londen in een ultimatum gesteld dat er hier eten moet komen vóór 15 januari a.s., daar ze het zonder voedsel niet meer uithouden, anders wordt de spoorwegstaking opgeheven.”

Hongerfamilie Hongerkindjes groepHongerkindrenDoor ondervoeding en gebrek stierven de Nederlanders van toen als ratten, in de winter van 1944-1945 bezweken de Nederlanders in onvoorstelbare aantallen. Het is een gegeven dat volledig verdwenen is uit het collectief geheugen. Het is geen collectief weten meer, het ontglipt aan het bewustzijn, het is geen onderwerp meer van gesprek, geen jaarlijks terugkerend onderwerp in de leerboeken of in de media. In niets opgelost lijden!

Dat het aantal door honger en gebrek omgekomen Nederlanders op enig moment officieel op 15.000 tot 22.000 vastgelegd is heeft enkel te maken met politiek correcte geschiedschrijving. De werkelijkheid en de waarheid is geweld aangedaan, net als de geschiedschrijving. Verpakt in een fijne oorlogsfilm wordt bankier Wally van Hall in 2018 notabene neergezet als een goed vaderlander en bewierookt als een slimme financiële goochelaar.

Bankier van de Dood zou een toepasselijker naam voor deze persoon geweest zijn!

Hongerkind liggend

Foto’s: Nationaal Archief